Hoofdstuk 3.7 Bijzondere manoeuvres


 

Het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre is in de Rijprocedure B omschreven als een productieve manoeuvre. Voor het uitvoeren van de bijzondere manoeuvres is het de bedoeling gebruik te maken van de bestaande bijzondere verrichtingen.

De productieve bijzondere manoeuvres zijn:

  • omkeeropdracht
  • parkeeropdracht: in een straat of op een parkeerplaats
  • stopopdracht: stoppen achter een geparkeerd voertuig.

Steekproefsgewijs kan de hellingproef als aanvullende bijzondere manoeuvre worden uitgevoerd.

Productieve bijzondere manoeuvres ontstaan door een kandidaat alleen een bedoelingopdracht te geven. Hij moet dan een beroep doen op zijn creativiteit, inzicht en probleemoplossend vermogen. Hij heeft strategieën en handelinganalyses geleerd en moet daarnaast nu zelf oplossingen en procedures bedenken in complexere verkeerssituaties. Hij is daarbij zelf verantwoordelijk voor zijn keuzes vooral voor wat betreft veiligheid, vlotheid en milieubewust gedrag.

Bij de keuze en uitvoering van de manoeuvre is het belangrijk om verder vooruit te plannen. Belangrijk is om rekening te houden met het wegrijden. Dit mag niet (onnodig) bemoeilijkt worden door de voorafgaande bijzondere manoeuvre.

           Uitvoering productieve bijzondere  manoeuvres

  • Algemeen

De uitgangspunten zoals elders in de Rijprocedure B zijn verwoord blijven onverminderd van kracht. De bijzondere manoeuvres worden in principe uitgevoerd in de straat waar de opdracht wordt gegeven.

  • Uitvoering

De kandidaat krijgt alleen een bedoelingopdracht en is zelf verantwoordelijk voor een veilige, vlotte en milieubewuste uitvoering van de bijzondere manoeuvre. Zo zal hij zelf zijn keus vooraf moeten toetsen op effecten aan de hiervoor genoemde zaken.

Gedacht kan worden aan plekken waar onvoldoende gelegenheid of zicht op het overige verkeer is voor een succesvolle uitvoering. Ook is van belang om een uitvoeringskeuze te maken die niet meer belasting voor het milieu oplevert dan nodig is. Denk hierbij aan een oplossingsvariant waarbij bijvoorbeeld zo min mogelijk (met een stationair draaiende motor) gewacht hoeft te worden of waarbij de omgeving niet onnodig belast wordt met motorlawaai. De kandidaat kiest een bijzondere verrichting om de bijzondere manoeuvre te kunnen uitvoeren.

  • Omkeeropdracht

     De kandidaat heeft de keuze uit:  keren door middel van steken, het maken van een halve draai of het rijden van een bocht achteruit. Ook kan de kandidaat gebruik maken van een haaks parkeervak door voor- of achterwaarts het vak in te rijden en zo om te keren.

  • Parkeeropdracht

     De kandidaat kan gebruik maken van parkeren in file (voor- en achterwaarts) zowel aan de rechter- als de linkerzijde van de rijbaan, parkeren in een parkeer vak (voor- en achterwaarts) zowel aan de rechter- als linkerzijde van de rijbaan. Het parkeren kan langs of op de rijbaan of op een parkeerplaats worden uitgevoerd.

  • Stopopdracht

     De kandidaat krijgt de opdracht kort achter een ander voertuig te stoppen, zodanig dat aansluitend weer vooruit weggereden kan worden. Hij is daarbij zelf verantwoordelijk voor de keuze van een veilige uitvoering en gekozen plaats, de mate van vlotheid en een milieubewuste uitvoering.

Iedere bestuurder zal in de praktijk ervaren, dat deze manoeuvres regelmatig moeten worden uitgevoerd.

Een verkeersstremming bijvoorbeeld kan iedere automobilist overkomen, zodat er op de weg gekeerd moet worden. Ook parkeren is een vrijwel dagelijkse handeling voor iedere automobilist. Of dat parkeren nu gebeurt in een straat, op een parkeerplaats of in een parkeergarage: het blijft een bijzondere manoeuvre. De noodzaak dat de bestuurder daartoe over bepaalde vaardigheden beschikt, is duidelijk.

Voor en tijdens de uitvoering van elke bijzondere manoeuvre dient men zich ervan te overtuigen, dat deze kan worden uitgevoerd zonder dat het overige verkeer meer dan noodzakelijk wordt gehinderd of dat schade wordt veroorzaakt.

De manier van kijken wordt afgestemd op het soort verrichting dat wordt uitgevoerd en op de concrete situatie van dat moment.

Bijzondere manoeuvres worden niet zó traag uitgevoerd dat het overige verkeer, langer dan noodzakelijk, wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Bij de uitvoering van de bijzondere manoeuvre gaat het om goede voertuigbeheersing in combinatie met goed letten op ander verkeer. Goede voertuigbeheersing wil zeggen een juiste bediening van gas- en koppelingspedaal en de bedrijfs- en/of parkeerrem. Dit in combinatie met goed en tijdig sturen, daarbij rekening houdend met de omvang van het eigen voertuig. Bij tijdig sturen wordt opgemerkt dat draaien van het stuur tijdens stilstand zoveel mogelijk dient te worden vermeden.

Bij het uitvoeren van de bijzondere manoeuvres zijn de volgende onderwerpen van beoordeling van toepassing:

Wijze van uitvoeren (voertuigbeheersing)            

Een juiste bediening zoals omschreven in hoofdstuk 1 (bediening/ beheersing).

Omkeeropdracht:

Door middel van steken

  • stoppen op juiste afstand van de rechterzijde van de rijbaan
  • met lage en constante snelheid, scherp naar links sturen
  • kort voordat de voorbanden de trottoirband bereiken, terugsturen naar rechts
  • banden mogen zachtjes de trottoirband raken
  • bij het achteruitrijden naar rechts sturen
  • kort voordat de achterbanden het trottoir bereiken, terugsturen naar links
  • banden mogen zachtjes de trottoirband raken
  • bij het oprijden verder naar links sturen
  • vervolgens de snelheid opvoeren en op de eigen weghelft de weg vervolgen.

    Halve draai

    • stoppen op juiste afstand aan de rechterzijde van de rijbaan
    • eventueel naar rechts het parkeervak of een andere beschikbaar weggedeelte opsturen
    • daarna zo snel mogelijk naar links sturen
    • snelheid is laag en constant
    • als de draai bijna is voltooid de stuurwielen zodanig in de rechtuitstand brengen dat op de eigen weghelft de weg wordt vervolgd
    • direct na het terugsturen snelheid opvoeren.

      Bocht achteruit

      • stoppen op voldoende afstand van de rechterzijde van de rijbaankant
      • bij het tot stilstand komen staan de wielen weer in de rechtuitstand
      • indien gewenst mag het bovenlichaam dusdanig gedraaid worden, dat de rechthand het stuur niet meer vast heeft. Door het verplaatsen van de rechterarm kan eventueel steun worden gezocht.
      • met lage snelheid achteruitrijden
      • m.v. kleine stuurbewegingen evenwijdig aan de rijbaankant rijden
      • stoppen op een punt zodat weer vooruit kan worden weggereden in de gewenste richting.

        Parkeeropdracht:

        In file voorwaarts

        • indien nodig stoppen voor de plaats waar vooruit ingeparkeerd gaat worden
        • vooruit wegrijden en het moment van insturen bepalen
        • vlot en maximaal insturen
        • kort voor de trottoirband terugsturen
        • de snelheid is laag en constant
        • stoppen zodra de auto evenwijdig aan de trottoirband rijdt.

          In file achterwaarts

          • op voldoende afstand stoppen naast het voertuig waarachter wordt geparkeerd
          • bij het tot stilstand komen staan de wielen weer in de rechtuitstand
          • de achterkant van het eigen voertuig is dan ongeveer gelijk met die van de andere auto
          • op het juiste moment insturen en weer terugsturen
          • als de maximale ’neusuitzwaai’ is bereikt, niet onnodig wachten op naderend verkeer.

            In een vak voorwaarts

            • indien nodig twee vakken voor het doelvak stoppen
            • hiervandaan oprijden en het moment van insturen bepalen

            (eventueel ‘opsturen’ is toegestaan)

            • vlot en gedoseerd insturen
            • tijdig de wielen in de rechtuitstand zetten, als zo goed als volledig het vak is ingereden.

              In een vak achterwaarts

              • tenminste twee vakken voorbij het doelvak stoppen
              • langzaam achteruitrijden tot een zodanig punt, dat door vlot insturen geheel in het betreffende vak wordt uitgekomen
              • bij het tot stilstand komen staan de wielen weer in de rechtuitstand.

                Stopopdracht:

                • tijdig naar de rijbaankant sturen
                • kort voor de trottoirband terugsturen
                • zodanig stoppen dat vooruit weggereden kan worden – bij het wegrijden droogsturen vermijden.

                  Belangen andere weggebruikers      

                  Voor en tijdens de uitvoering van de bijzondere manoeuvre dient men zich ervan te overtuigen, dat deze kan worden uitgevoerd zonder dat het overige verkeer meer dan noodzakelijk wordt gehinderd.

                  Kijkgedrag             

                  Voor en tijdens het uitvoeren van de manoeuvre goed opletten.

                  Effectief kijken wordt bereikt door een juist gebruik van de spiegels en het kijken naar voren en opzij. De manier van kijken wordt afgestemd op het soort manoeuvre dat wordt uitgevoerd en op de concrete situatie van dat moment.

                  Voor laten gaan       

                  Het overige verkeer voor laten gaan.

                  Dit geldt ten opzichte van alle weggebruikers ongeacht uit welke richting zij naderen.

                  Plaats op de weg / plaats van handeling              

                  De manoeuvre wordt uitgevoerd op een plaats waar voldoende gelegenheid en zicht is.

                  Ook zo veel mogelijk rekening houden met milieuaspecten. Getracht dient te worden zo min mogelijk te moeten wachten met een stationair draaiende motor.

                  Verder worden als bijzondere verrichtingen aangemerkt:

                  – voorbereiding- en controlehandelingen

                  – in- en uitstappen

                  – hellingproef.

                  Voorbereidings- en controlehandelingen

                  De voorbereidings- en controlehandelingen worden samen als één bijzondere verrichting aangemerkt.

                  Deze verrichtingen omvatten al die handelingen welke uitgevoerd moeten worden om vast te stellen of de auto in goede staat van onderhoud verkeert en of met de rit kan worden begonnen.

                  Voordat de rit aanvangt, is het wenselijk een korte controle rond en in de auto uit te voeren. Hierbij is enige kennis van de auto onontbeerlijk. Ook is het noodzakelijk de functie van de diverse controlelampjes en meters op juiste wijze te interpreteren. In dit onderdeel wordt hieraan enige aandacht besteed.

                  Bij de uitvoering van de voorbereidings- en controlehandelingen gaat het om basiskennis van het voertuig en vaardigheid in de bediening van de diverse controleapparatuur.

                  In het kader van veilig en milieubewust rijgedrag is het noodzakelijk dat de bestuurder bekend is met de functie van de diverse bedieningsorganen, voertuigonderdelen, controlelampjes, meters, schakelaars e.d. en de plaats waar deze zich bevinden. De voorbereidings- en controlehandelingen zijn te splitsen in:

                  – controle buiten het voertuig

                  – controle in het voertuig.

                  Het is voor de bestuurder van belang een bepaalde vaardigheid te bezitten in het uitvoeren van die handelingen. Een veilig en energiezuinig rijgedrag begint al bij de planning en voorbereidingen van een rit.

                  Controle buiten de auto       

                  • lekkages en eventuele kinderen, dieren of obstakels onder het voertuig
                  • carrosserie, ruiten en ruitenwissers
                  • verlichting (koplampen, achterlichten, remlichten, richtingaanwijzers en reflectoren)
                  • motor- en kofferruimte (goed gesloten)
                  • ramen en spiegels (schoon, beschadigingen)
                  • banden (profiel en spanning, ventiel, beschadigingen, kenmerk winterbanden)
                  • oliepeil (niveau)
                  • remvloeistof (niveau)
                  • koelvloeistof (niveau)
                  • ruitensproeiervloeistof (‘s winters met antivries) – reservewiel (aanwezig, spanning en plaats).

                  Controle in de auto       

                  • controlelampjes die voor de veiligheid van belang zijn
                  • in- of uitgeschakeld zijn van de airbag (i.v.m. een kinderzitje)
                  • meters (brandstof, motortemperatuur, e.d.).

                  Een juiste werking van:

                  • ruitenwisser(s)
                  • achterruitverwarming en voor- en zijruitontwaseming
                  • aanjager van ventilatie/verwarming en airco
                  • remmen (voldoende tegendruk op pedaal).

                  Een juiste afstelling van:

                  • bestuurdersstoel
                  • hoofdsteunen
                  • autogordel
                  • stuur

                   

                  Voorts:

                  wordt vanzelfsprekend vóór de start gecontroleerd of de passagiers de gordel dragen, of alle deuren goed gesloten zijn en of er geen losse voorwerpen op de hoedenplank liggen.

                  Het is vanzelfsprekend dat een autorit enige voorbereiding vraagt. Als het een rit in of naar een onbekend gebied betreft, is het verstandig zich vooraf op de route te oriënteren (bijv. routekaart en/of verkeersinformatie, navigatiesysteem instellen).

                  Alhoewel wettelijk niet verplicht, is het toch wenselijk dat in de auto steeds aanwezig is:

                  • brandblusapparaat
                  • verbandtrommel
                  • reservemateriaal (lampjes e.d.), autokrik, gevarendriehoek, etc.

                  In-/uitstappen

                  Bij het in- en uitstappen is het openen en open laten staan van een portier een belangrijk aspect.

                  Hierdoor kan voor anderen hinder of zelfs gevaar ontstaan. Portieren dienen daarom niet langer dan noodzakelijk geopend te blijven. Openstaande portieren dienen voor de bestuurder steeds een extra aandachtspunt te zijn.

                  Zowel bij het in- als uitstappen mag geen gevaar of hinder ontstaan of kunnen ontstaan voor andere weggebruikers.

                  Om praktische redenen zijn het in- en uitstappen in gecombineerde vorm in dit onderdeel opgenomen.

                  Belangen andere weggebruikers      

                  Het portier wordt pas geopend als daardoor geen gevaar of hinder voor andere weggebruikers ontstaat of kan ontstaan.

                  Dit geldt ten opzichte van het achteropkomende en tegemoetkomende verkeer. Vlot in- of uitstappen en direct daarna het portier goed sluiten.

                  Kijkgedrag             

                  Bij het openen van het portier eerst goed opletten.

                  • Instappen

                  Voor het instappen eerst achter de auto kijken of er beletsels zijn bij het eventuele achteruitrijden. Vervolgens voor de auto langs lopen. Op deze manier kan gemakkelijk worden gekeken in de richting van waaruit het verkeer nadert.

                  Tevens kunnen eventuele obstakels vóór de auto opgemerkt worden.

                  Voordat de rijbaan wordt opgelopen, kijken of dat veilig kan zonder naderend verkeer te hinderen.

                  Wanneer het voertuig op een parkeerplaats geparkeerd staat naast een ander voertuig, met extra voorzichtigheid het portier openen.

                  • Uitstappen

                  Bij het parkeren aan de linker- of rechterzijde van de rijbaan wordt, voor het uitstappen, in de binnen- en linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder gekeken.

                  Wanneer het voertuig op een parkeerplaats geparkeerd wordt naast een ander voertuig, dan met extra voorzichtigheid het portier openen.

                  Hellingproef

                  Het voertuig zonder fouten op een helling tot stilstand brengen en weer wegrijden.

                  Het is de bedoeling dat de auto hierbij niet wegrolt en dat de motor niet afslaat.

                  De hellingproef kan zowel stijgend als dalend uitgevoerd worden. De hellingproef kan in twee situaties aan de orde zijn. Zij kan voorkomen in parcours en de verrichting kan ’in opdracht’ worden uitgevoerd.

                  De hellingproef in parcours doet zich voor indien in een verkeerssituatie met het voertuig op een hellend weggedeelte gestopt moet worden. Hierna zal weer op een correcte wijze moeten worden opgetrokken en weggereden.

                  Bij de hellingproef in opdracht wordt het voertuig aan de rechterzijde van de rijbaan tot stilstand gebracht om de hellingproef te kunnen uitvoeren. Dat gebeurt dus zonder dat de verkeerssituatie ter plaatse dit vereist.

                  Bij de uitvoering moet in beide situaties gehandeld worden zoals in dit onderdeel is omschreven.

                  Wijze van uitvoering (voertuigbeheersing)            

                  • stoppen aan de zijde van de rijbaan
                  • op juiste wijze gaan deelnemen aan het verkeer
                  • tijdens de voorbereiding en het uitvoeren van de hellingproef een juiste bediening conform hoofdstuk 1.

                  Kijkgedrag             

                  Voor en tijdens het optrekken en wegrijden goed opletten.

                  Dus kijken in de volgorde:

                  • naar voren
                  • in binnenspiegel
                  • in linkerbuitenspiegel
                  • over de linkerschouder.

                  Het achteropkomende verkeer vóór, tijdens en na het wegrijden in de spiegels observeren.

                  Voor laten gaan       

                  Vóór het optrekken en wegrijden ander verkeer voor laten gaan.

                  Geven van/reageren op signalen                 

                  Vóór het wegrijden richting aangeven.

                  De richtingaanwijzer kort na het wegrijden buiten werking stellen.

                  (bron:https://www.cbr.nl)