3.6   Gedrag nabij en op bijzondere weggedeelten


Bijzondere weggedeelten zijn weggedeelten welke als gevolg van hun functie en/of inrichting duidelijk afwijken van andere weggedeelten.

Van bestuurders die een dergelijk weggedeelte naderen c.q. berijden, wordt doorgaans ook een ander, meer op die bijzondere situatie afgestemd rijgedrag verlangd.

In deze procedure worden als bijzondere weggedeelten omschreven:

  • in- / uitrit
  • erf
  • overweg
  • voetgangersoversteekplaats – tram-/bushalte – rotonde.

               In- /uitrit

Het berijden van een in- /uitrit geldt als een bijzondere manoeuvre waarbij het overige verkeer moet worden voorgelaten.

Bij deze manoeuvre kan men geconfronteerd worden met:

  • verkeer dat van links of rechts nadert
  • tegemoetkomend, zich links of rechts naast de auto bevindend, of achteropkomend verkeer
  • verkeer dat de uitrit wil inrijden – verkeer dat de inrit wil uitrijden.

Als wordt weggereden vanuit een situatie die op een in- /uitrit lijkt, dan handelen als bij een in- /uitrit.

Belangen andere weggebruikers      

Het overige verkeer niet hinderen.

Daarbij is het niet van belang waar dit verkeer zich bevindt, vanuit welke richting het nadert of tot welke categorie verkeersdeelnemers het behoort.

De wegrijdende bestuurder kan ook worden geconfronteerd met verkeer dat de uitrit wil inrijden. Voor beide bestuurders geldt dan de wettelijke verplichting om elkaar voor te laten gaan. In die situatie zal soms gehandeld moeten worden naar de omstandigheden.

Kijkgedrag             

Goed letten op van links-, rechts- of tegemoetkomend verkeer.

Dat geldt ook ten aanzien van het verkeer op b.v. het fiets- of voetpad.

Bij het oprijden van de rijbaan, via de spiegels het achteropkomend verkeer observeren.

Voor laten gaan       

Het overige verkeer voor laten gaan.

Anders dan bij het voorrang verlenen, geldt de verplichting om het overige verkeer voor te laten gaan hier ook ten opzichte van voetgangers.

De uitrijdende bestuurder kan ook worden geconfronteerd met bestuurders die de inrit willen inrijden. De inrijdende bestuurder kan ook worden geconfronteerd met bestuurders die de inrit willen uitrijden. Voor beide bestuurders geldt dan de wettelijke verplichting om elkaar voor te laten gaan. In deze situatie verdient het de voorkeur de uitrijdende bestuurder voor te laten gaan. Dit bevordert de doorstroming en zal het inrijden vergemakkelijken.

Plaats op de weg / plaats van handeling              

Bij het verlaten van de uitrit zo spoedig mogelijk in vloeiende lijn de juiste plaats op de rijbaan innemen. Bij het inrijden van de inrit voorsorteren zoals bij het afslaan is omschreven.

  • Uitrit

Ongeacht de wegsituatie en de ligging van de uitrit ten opzichte van de doorgaande weg, bij het naar rechts gaan de bocht zó maken, dat in één vloeiende beweging de juiste plaats op de rijbaan wordt ingenomen.

Bij het naar links gaan de bocht zó ruim nemen dat op de rechterweghelft wordt uitgekomen.

Behalve wanneer opstellen tussen de kruisende verkeersstromen mogelijk is, (bijv. bij gescheiden rijbanen) pas de weg oprijden indien kan worden doorgereden en het kruisende weggedeelte kan worden vrijgemaakt.

  • Inrit

In bepaalde gevallen (zie afslaan) is het beter om het voorsorteren achterwege te laten.

Snelheid 

Het berijden van een in- /uitrit gebeurt met een veilige en aangepaste snelheid.

Zodra de uitrit is verlaten de snelheid zo snel mogelijk aanpassen aan het overige verkeer.

Geven van/reageren op signalen 

Indien naar links of rechts de weg wordt opgereden, richting aangeven alvorens de uitrit te verlaten. Indien naar links of rechts de inrit wordt ingereden tijdig richting aangeven.

De richtingaanwijzer buiten werking stellen zodra de juiste plaats op de rijbaan is ingenomen.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen: tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zodanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

           Erf

Een erf heeft vooral een verblijfsfunctie. De wegen binnen een erf zijn niet bestemd voor doorgaand verkeer.

Alle weggebruikers mogen van een erf gebruik maken en hebben in gelijke mate recht op dat gebruik. Zo mogen voetgangers zich binnen een erf overal bewegen.

Dit alles betekent dat binnen een erf defensief rijgedrag van groot belang is. Bestuurders van voertuigen dienen zich voortdurend bewust te zijn van het bijzondere karakter van het erf.

De in- en uitgangen van een erf hebben meestal de vorm van een in- en uitrit.

Bij de ingangen wordt bord G5 geplaatst. Uitgangen zijn aangeduid met bord G6.

Er zijn ook situaties waarbij de uitgang van een erf op enige afstand van de doorgaande weg is gelegen. De aansluiting op die doorgaande weg heeft dan het karakter van een kruispunt.

Belangen andere weggebruikers      

De wijze van rijden afstemmen op de speciale functie van het erf en op het gedrag van de gebruikers.

Zo laat de bestuurder ten opzichte van andere gebruikers door zijn rijgedrag blijken, rekening met hen te willen houden.

Op elke plaats in het erf kan de bestuurder met die andere weggebruikers, variërend van wandelende bejaarden tot spelende kinderen, worden geconfronteerd. Zij mogen immers van het gehele erf gebruik maken.

Kijkgedrag             

Binnen een erf voortdurend goed opletten.

Belangrijk daarbij is het gezichtsveld zo breed en ver mogelijk te houden.

Alleen dan is het mogelijk om, bijvoorbeeld in geval van een plotseling overstekend kind, op de juiste wijze te reageren.

Bij manoeuvres zoals:

  • naderen en oprijden van een kruispunt
  • afslaan
  • uitvoeren van een zijdelingse verplaatsing wordt gekeken op de wijze zoals in het betreffende onderdeel is omschreven.

Voorrang/voor laten gaan       

De daarop rechthebbende weggebruikers voorrang verlenen of voor laten gaan.

De wijze van naderen moet zodanig zijn, dat bij de voorrangsgerechtigde bestuurder het vertrouwen wordt gewekt dat hem voorrang wordt verleend.

Wordt gestopt om voorrang te verlenen of voor te laten gaan, dan zodanig stoppen dat de andere weggebruikers (ongehinderd) hun weg kunnen vervolgen.

Plaats op de weg/plaats van handeling              

Zoveel mogelijk rechts rijden.

Dit is mede afhankelijk van de inrichting van het erf.

Aangeraden wordt steeds een plaats op de weg in te nemen die naar omstandigheden zo verantwoord mogelijk is.

Snelheid 

Binnen een erf maximaal stapvoets rijden (15 km/uur).

Daardoor is veilig en aan het voetgangersverkeer aangepast rijgedrag mogelijk.

Alhoewel voetgangers de normale voortgang van motorvoertuigen niet mogen belemmeren, krijgen zij alleen wanneer bestuurders erg langzaam rijden, de gelegenheid goed op die voertuigen te reageren.

Door stapvoets te rijden, heeft de bestuurder de mogelijkheid om op juiste wijze te reageren op datgene waarmee hij wordt geconfronteerd.

Reageren op overige verkeerstekens     

Verkeerstekens die volgens wettelijk voorschrift moeten worden opgevolgd, in acht nemen.

Bij het binnenrijden van een erf wordt bord G5 gepasseerd. Het is van groot belang dat vooral bestuurders van motorvoertuigen zich realiseren dat men een bijzonder weggedeelte binnenrijdt. Het rijgedrag zal hier dan ook voortdurend op moeten worden aangepast.

Geven van/reageren op signalen 

Op dezelfde wijze signalen geven als buiten het erf.

Gezien het bijzondere karakter van een erf moet extra rekening worden gehouden met signalen van andere bestuurders.

Vertragen, remmen, stoppen  

Bij noodzaak tijdig afremmen en stoppen.

          Overweg

Een overweg wordt voorzichtig genaderd en bereden.

Ongevallen op een overweg zijn meestal zeer ernstig.

Het is van groot belang om rekening te houden met het verblindend effect van de laagstaande zon. Hierdoor kan het rode licht van de overweg geheel onzichtbaar worden.

Een overweg kan op verschillende manieren beveiligd zijn. De bestuurder moet zich realiseren dat waarschuwings- en beveiligingsapparatuur defect kan raken.

Bij overwegen kunnen bovendien bakens zijn geplaatst. Met behulp van het aantal, op die bakens voorkomende, diagonale strepen kan de afstand tot die overweg worden bepaald (elke streep geeft een afstand van ongeveer 80 m aan).

Belangen andere weggebruikers      

Bij het naderen en oprijden van een overweg bijzondere voorzichtigheid betrachten.

Handelingen waardoor op enigerlei wijze gevaar/hinder ontstaat/ kan ontstaan, achterwege laten.

Dit geldt in het bijzonder bij aanwezigheid van ander verkeer of op een overweg van bijzondere aard of inrichting (smal, onbeveiligd).

Bij het naderen van een overweg, vooral in minder overzichtelijke situaties, rekening houden met een gesloten overgang en een stilstaande file.

Kijkgedrag             

Bij het naderen van een overweg, in een zo vroeg mogelijk stadium, goed opletten.

Zo kan, mede aan de hand van de aanwezige tekens e.d., tijdig worden vastgesteld welk soort overweg genaderd wordt. Om zich te overtuigen dat geen trein in aantocht is, vóór het oprijden van een overweg goed naar links en naar rechts kijken.

Nadat een trein is gepasseerd, vóór het oprijden goed opletten of er niet nog een trein van de andere kant nadert.

Voor laten gaan       

Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan.

Plaats op de weg/plaats van handeling              

Stoppen op een overweg is verboden. Deze alleen oprijden als kan worden doorgereden en de overweg geheel kan worden vrijgemaakt.

Aandacht hiervoor is vooral nodig, indien na de overweg een kruispunt is gelegen of in file wordt gereden.

Het afslaan van de motor op de overweg komt regelmatig voor en kan grote gevolgen hebben. Omdat hier vaak sprake is van een helling is de kans hierop groter. Het is van groot belang dit risico zo veel mogelijk te beperken. Denk aan het benutten van het rollend vermogen van de auto en zorg ervoor dat het meest kritieke moment van het wegrijden op enige afstand van de overweg ligt.

Snelheid 

Een overweg met aangepaste snelheid naderen en oprijden.

Dit geldt vooral bij niet- of minder goed beveiligde overwegen. Aanpassen van de snelheid houdt o.a. verband met:

  • de aard van de overweg (al dan niet beveiligd)
  • het uitzicht
  • oneffenheid van het wegdek – de rijbaanbreedte.

Reageren op verkeerslichten en aanwijzingen         

Gevolg geven aan de voor de gekozen rijrichting bestemde verkeerslichten.

Het teken van de begeleider van een spoorvoertuig opvolgen.

Wit knipperlicht betekent: er nadert geen trein. Rood knipperlicht betekent: stop.

Bij automatische halve overwegbomen (AHOB) gaat het rode licht pas uit nadat de bomen geheel omhoog zijn gebracht. Pas dan mag worden opgereden. In andere situaties mag een overweg pas worden opgereden wanneer het rode licht gedoofd is.

Een geel knipperlicht (eventueel met pijl) duidt op een gevaarlijk punt. Voorzichtigheid is dan geboden.

Het stopteken van een begeleider kan worden gegeven met een bord, rode vlag of rode lamp.

Bij driekleurige verkeerslichten met daarin een pijl gelden de normale verplichtingen voor de aangegeven richting.

Reageren op overige verkeerstekens     

Gevolg geven aan tekens die een gebod of verbod inhouden.

Ook rekening houden met andere verkeerstekens, bijv. die welke een waarschuwend karakter hebben.

Elke bewaakte overweg is voorzien van een belsignaal.

Met name in geval van atmosferische storingen, dichte mist e.d., wordt de bestuurder via dat belsignaal extra geattendeerd op de aanwezigheid van een overweg indien een trein nadert.

Tijdig op het belsignaal reageren betekent dat op rustige wijze kan worden afgeremd.

Ook in minder overzichtelijke situaties kan de naderende bestuurder via een belsignaal voor een overweg worden gewaarschuwd.

Geven van/reageren op signalen 

Remlichten en/of knipperende waarschuwingslichten van andere voertuigen vragen om extra aandacht.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen: tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zódanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Bij het afremmen dient men zich steeds bewust te zijn van het bijzondere karakter van een overweg.

Afhankelijk van de situatie kunnen zich door te laat of niet op juiste wijze afremmen ontwikkelingen voordoen, welke juist op een overweg ongewenst of gevaarlijk zijn.

Zoveel mogelijk trachten geleidelijk af te remmen in verband met achteropkomend verkeer.

           Voetgangersoversteekplaats

Een voetgangersoversteekplaats wordt voorzichtig genaderd en bereden.

Voetgangers zijn in het huidige verkeer uiterst kwetsbaar. Daarom zijn beschermende maatregelen noodzakelijk.

Eén daarvan is het aanleggen van oversteekplaatsen voor voetgangers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen.

De voetgangersoversteekplaats, die uit zogenaamde ’zebramarkeringen’ bestaat, wordt aangeduid door bord L2, vaak voorafgegaan door bord J22.

Er zijn ook oversteekplaatsen die niet zijn uitgevoerd als voetgangersoversteekplaats.

Deze plaatsen zijn gemarkeerd door kanalisatiestrepen en al dan niet voorzien van verkeerslichten. De bestuurder dient zijn weggedrag ook op deze situatie af te stemmen.

Het staat de voetganger en de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig vrij om van de oversteekplaats gebruik te maken. Alleen als van een voetgangersoversteekplaats gebruik wordt gemaakt, kan van de beschermende werking geprofiteerd worden.

Indien voetgangers of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig bij het oversteken gebruik maken van een oversteekplaats waar een geel knipperlicht in werking is, moeten zij naderende bestuurders voor laten gaan. Die bestuurders dienen er echter rekening mee te houden dat de overstekende voetganger of de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig ervan uitgaat bescherming te genieten.

Belangen andere weggebruikers      

Een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen.

Hierdoor kan op juiste wijze aan de wettelijke voorschriften worden voldaan. Zo wordt aan voetgangers en/of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig die van die oversteekplaats gebruik (willen) maken, de indruk gegeven dat hun aanwezigheid is opgemerkt en dat met hen rekening zal worden gehouden.

Dergelijk rijgedrag attendeert ook achteropkomende bestuurders op de aanwezigheid van een voetgangersoversteekplaats, zodat ook zij tijdig hun wijze van rijden kunnen aanpassen.

Bepaalde handelingen worden op of nabij een voetgangersoversteekplaats extra voorzichtig uitgevoerd.

Zo wordt een voertuig waarvan de bestuurder is gestopt vóór een oversteekplaats om andere reden dan voetgangers voor te laten gaan, slechts met grote voorzichtigheid voorbijgereden. Snelheid en kijkgedrag worden daar op afgestemd.

Kijkgedrag             

Bij de nadering goed opletten.

Zo kan, in combinatie met de aangepaste snelheid, tijdig snelheid worden verminderd of gestopt.

Goed moet worden gelet op voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig die zich op korte afstand van de voetgangersoversteekplaats bevinden.

Uit hun gedrag en de wijze van kijken, kan veelal worden afgeleid of zij van plan zijn daar over te steken.

Voor laten gaan       

Voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig die op een oversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan over te steken, voor laten gaan.

Met deze twee groepen wordt in ieder geval bedoeld: zij die staan te wachten om te kunnen oversteken.

Snelheid 

Een voetgangersoversteekplaats wordt met matige snelheid genaderd.

De snelheid moet zodanig zijn dat onder alle omstandigheden op een normale manier kan worden gestopt.

Het is hierbij belangrijk dat door de wijze waarmee bestuurders naderen, bij weggebruikers die willen oversteken, de indruk ontstaat dat men inderdaad ook de gelegenheid krijgt om veilig over te steken.

Reageren op verkeerslichten en aanwijzingen         

Gevolg geven aan verkeerslichten bij voetgangers- en andere oversteekplaatsen.

Het stopteken van de verkeersbrigadier wordt opgevolgd.

Bij (voetgangers)oversteekplaatsen kunnen twee- of driekleurige verkeerslichten zijn geplaatst. Tweekleurige verkeerslichten (geel/ rood) zijn veelal geplaatst bij oversteekplaatsen die slechts incidenteel door voetgangers worden gebruikt.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen, tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zódanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Bij een voetgangersoversteekplaats is een aangepaste wijze van remmen van groot belang.

Daardoor ontstaat bij de overstekende weggebruiker het vertrouwen dat ook werkelijk veilig kan worden overgestoken.

Vooral ook rekening houden met weg- en weersomstandigheden. Achteropkomend verkeer kan dan tijdig reageren. Vooral daar waar voetgangers en/of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig bezig zijn met oversteken, is dit extra belangrijk.

         Tram-/bushalte

Een tram-/bushalte is aangelegd ten behoeve van in- en uitstappende passagiers.

De halteplaats is aangeduid met bord L3 (tram-/bushalte).

Een tram-/bushalte kan zowel rechts langs de rijbaan als langs een verkeersheuvel midden op de rijbaan liggen.

In dat laatste geval moeten de in- of uitstappende passagiers de rijbaan oversteken om van of naar het voetpad of tram/bus te gaan.

Vaak is het gehaaste gedrag van passagiers hierbij oorzaak van gevaarlijke situaties.

Belangenandere weggebruikers      

Tijdens het voorbijrijden van een tram-/bushalte, vooral bij grotere concentraties wachtende mensen, rekening houden met (onverwachte) situaties die gevaar kunnen opleveren.

Afhankelijk van de wegsituatie de wijze van rijden daarop afstemmen.

In-/uitstappende passagiers lopen vaak onoplettend de rijbaan op. Vooral bij grote drukte en weinig ruimte kunnen kinderen en bejaarden gemakkelijk van het voetpad of trottoir geraken. Bij het voorbijrijden van wachtende passagiers niet (of slechts met een geringe snelheid) door plassen rijden. Overlast kan op deze wijze worden voorkomen.

Bij aanwezigheid van één of meerdere trams of bussen bij de halteplaats, rekening houden met de mogelijkheid dat passagiers plotseling vóór of achter tram of bus de weg oplopen.

Kijkgedrag             

Goed opletten bij het naderen/voorbijrijden van een tram-/ bushalte.

Dit geldt in het bijzonder bij smallere rijbanen en/of minder grote opstelruimten voor wachtende personen.

Als bij een halteplaats een tram, bus of ander voertuig stilstaat, letten op in-/uitstappende passagiers.

Door allerlei oorzaken is hun aandacht vaak op andere zaken gericht dan het verkeer.

Dit en andere factoren, zoals gehaast gedrag e.d., kan tot gevaarlijke situaties leiden.

Ook bedachtzaam zijn op het wegrijden van tram of bus. Met gebruikmaking van de spiegels het achteropkomend verkeer observeren.

Voor laten gaan       

Bij het voorbijrijden van een stilstaande tram of bus, passagiers gelegenheid geven in- of uit te stappen.

Een bestuurder van een autobus die binnen de bebouwde kom met zijn richtingaanwijzer te kennen geeft weg te willen rijden, daartoe gelegenheid geven.

In-/uitstappende passagiers moeten, indien zij zich op de rijbaan bevinden, die rijbaan ongehinderd kunnen oversteken. De bestuurder van de bus moet de gelegenheid krijgen om te kunnen wegrijden.

Hierbij rekening houden met de omvang van de bus en de voor dit voertuig benodigde ruimte.

Plaats op de weg/plaats van handeling              

Bij het voorbijrijden van een tram-/bushalte waarbij mensen wachten, voldoende tussenruimte laten.

Snelheid 

Bij het naderen van een tram-/bushalte waar een tram of bus stilstaat en/of wachtende mensen staan, de snelheid aanpassen.

Naarmate de tussenruimte minder wordt, met een lagere snelheid rijden.

Geven van/reageren op signalen 

Goed reageren op de richtingaanwijzer van de autobus bij een bushalte.

Vaak kan door het uitgaan van de remlichten van de autobus al worden afgeleid dat de bestuurder van plan is weg te rijden.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen, tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zódanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Zodoende wordt tevens het achteropkomend verkeer op tijd geïnformeerd.

          Rotonde

Een rotonde is een knooppunt van wegen (anders dan een kruispunt) waarop het verkeer in een rondgaande beweging verwerkt wordt.

Een rotonde wordt aangeduid met bord D1 van bijlage 1 van het RVV 1990.

Op een rotonde zijn tegenliggers dus in theorie uitgesloten. Op pleinen die niet zijn aangeduid met bord D1 zijn de wettelijke uitzonderingsbepalingen niet van toepassing.

In het verleden werd vooral bij complexe kruispunten (bijvoorbeeld met meer dan vier aansluitingen) een vlottere afwikkeling van het verkeer beoogd, door middel van een rotonde.

Tegenwoordig besluit men vaak kruispunten te reconstrueren tot minirotondes. Dit uit snelheidsbeperkend oogpunt, waardoor de veiligheid ter plaatse wordt vergroot.

Op rotondes is met name de inrichting en het gewenste gedrag afwijkend. Juist dát aspect maakt van zo’n traditionele rotonde een bijzonder weggedeelte.

Belangen andere weggebruikers      

Geen gevaar of meer dan noodzakelijke hinder voor andere weggebruikers veroorzaken.

Dit geldt ten opzichte van alle verkeer, ongeacht waar zich dat bevindt of vanuit welke richting dat nadert.

Kijkgedrag             

Bij het naderen, oprijden, berijden en verlaten van de rotonde goed opletten.

Op een rotonde dient een groot aantal handelingen te worden uitgevoerd. Daarbij zullen veelal andere weggebruikers betrokken zijn. Daarom is het belangrijk dat bestuurders voortdurend alert zijn op veranderende verkeerssituaties.

  • Naderen

Bij nadering van een rotonde in een zo vroeg mogelijk stadium vaststellen:

  • aard van de rotonde (de aanwezigheid van verkeerstekens e.d.)
  • of de rotonde door ander verkeer genaderd of bereden wordt
  • of (brom)fietsverkeer dat van rechts nadert aan de orde is
  • de algehele situatie op en nabij de rotonde (soort en toestand wegdek, uitzicht, bijzondere omstandigheden e.d.).

In de spiegels kijken naar de situatie achter de auto.

Vlak voor het oprijden van de rotonde naar voren en naar links kijken om vast te stellen of de rotonde kan worden opgereden. Bij aanwezigheid van bord B6 het kijkgedrag nóg nadrukkelijker op de situatie afstemmen.

  • Oprijden

Hierbij is het belangrijk te weten wat er kort voor en vooral ook achter de auto gebeurt.

Dus: het overige verkeer observeren door naar voren en naar links te kijken en in de spiegels het achterliggende verkeer observeren.

Bij bord B6 op de toeleidende weg zal het kijkgedrag nog nadrukkelijker op die situatie worden afgestemd.

  • Op de rotonde

Bij het verplaatsen naar een andere rijstrook goed kijken of hierbij andere bestuurders niet gehinderd worden. Vooral in die situaties is het belangrijk dat het weggedeelte achter en naast het voertuig wordt gecontroleerd.

Door in de binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder te kijken kan men zien of men op dat moment niet rechts wordt ingehaald.

Door in de binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder te kijken, blijft men alert op het gedrag van bestuurders die eventueel links willen inhalen.

Dat kijken mag niet ontaarden in achterom kijken, te vaak of onnodig lang over de schouder kijken. Hierdoor kan ongewenste koersverandering optreden.

Bovendien ziet men dan niet wat er voor de auto gebeurt.

Bij het verlaten

Hierbij het eventuele verkeer rechts naast het voertuig observeren door in de binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder te kijken.

Extra aandacht is vereist voor fietsstroken, (eventueel vrijliggende) fietspaden en voetpaden.

Voorrang/voor laten gaan       

Voor het oprijden van en bij het rijden op een rotonde wordt aan de wettelijke voorrangsverplichting voldaan.

Bij het verlaten van de rotonde wordt het verkeer dat het plein blijft volgen, voorgelaten. Denk hierbij ook aan het verkeer op een vrijliggend fietspad.

Plaats op de weg/plaats van handeling              

De te volgen rijrichting en de verkeersintensiteit zijn bepalend voor de te volgen rijstrook of de plaats op de rijbaan. Bij het naderen, berijden en verlaten vrij liggende fietspaden niet blokkeren.

Alleen zo kan een optimale verkeersafwikkeling worden gerealiseerd.

Zoveel mogelijk wordt in het midden van de rijstrook gereden. Suggestiestroken (zonder symbolen) en fietsstroken (onderbroken strepen) in principe niet berijden. Bij afslaan kunnen andere normen gelden. Deze zijn opgenomen bij het onderdeel kruispunten.

  • Op rotondes met drie rijstroken

Indien deze, evenals de toeleidende weg, niet zijn voorzien van vakindeling met pijlen:

Bij het kwart ronden   

  • tijdig op de toeleidende weg de rechterrijstrook gaan berijden
  • bij nadering van de rotonde de handelingen verrichten die vóór het afslaan naar rechts moeten worden uitgevoerd
  • vanuit deze positie de rotonde oprijden, volgen en verlaten.

Bij het half ronden   

  • op de toeleidende weg bij voorkeur de middenstrook gaan berijden
  • vanuit die positie de rotonde oprijden
  • zodra de afslag van het kwart ronden is gepasseerd, naar de rechterrijstrook overgaan en de handelingen verrichten die vóór het afslaan naar rechts moeten worden uitgevoerd – de rotonde verlaten.

Bij het driekwart ronden   

  • op de toeleidende weg bij voorkeur de linkerstrook gaan berijden
  • vanuit die positie de rotonde oprijden
  • op de rotonde de linkerrijstrook berijden
  • zodra de afslag van het kwart ronden is gepasseerd, overgaan naar de middenrijstrook
  • zodra de afslag van het half ronden is gepasseerd, overgaan naar de rechterrijstrook en de handelingen verrichten die vóór het afslaan naar rechts moeten worden uitgevoerd – daarna de rotonde verlaten.

Bij het geheel ronden   

  • op de toeleidende weg bij voorkeur de linkerstrook gaan berijden
  • vanuit die positie de rotonde oprijden
  • op de rotonde de linkerrijstrook berijden
  • zodra de afslag van het half ronden is gepasseerd overgaan naar de middenstrook
  • zodra de afslag van het driekwart ronden is gepasseerd, overgaan naar de rechterrijstrook en vervolgens de handelingen verrichten die vóór het afslaan naar rechts moeten worden uitgevoerd
  • daarna de rotonde verlaten.
  • Op rotondes met twee rijstroken

Hier is de procedure gelijk aan die op rotondes met drie rijstroken, met dien verstande dat:

  • bij kwart en half ronden voor middenrijstrook rechterrijstrook gelezen moet worden
  • bij driekwart ronden de linkerrijstrook bereden wordt tot de afslag voor het halfronden is gepasseerd
  • bij geheel ronden de linkerrijstrook bereden wordt tot de afslag voor driekwart ronden is gepasseerd.

Deze procedure is niet altijd van toepassing:

  • op asymmetrische pleinen
  • op rotondes zonder rijstroken
  • op rotondes met verkeerslichten en rijstroken voorzien van pijlen
  • bij intensief verkeer;
  • voor alle soorten voertuigen waarmee gereden wordt.

Indien het niet mogelijk is deze procedure te volgen, de wijze van rijden aanpassen.

Het gaan naar een andere rijstrook gebeurt in een vloeiende lijn.

Snelheid 

Nabij en op de rotonde de snelheid zódanig regelen dat alle handelingen op een veilige wijze kunnen worden uitgevoerd.

Bij aanwezigheid van bord B6 de snelheid waarmee de rotonde wordt genaderd en opgereden, nóg nadrukkelijker op de situatie afstemmen.

Reageren op verkeerslichten en aanwijzingen         

Gevolg geven aan de, voor de gekozen rijrichting bestemde, verkeerslichten.

Bij verkeerslichten waarvan het gele licht knippert, is extra voorzichtigheid geboden.

Reageren op overige verkeerstekens     

Gevolg geven aan tekens op het wegdek en/of andere verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Indien de rijbaan van de toeleidende weg naar de rotonde is verdeeld in rijstroken met daarin pijlen, zo vroeg mogelijk de juiste rijstrook gaan volgen. Dit is met name afhankelijk van de richting die gekozen wordt.

Ook op de rotonde steeds die rijstrook volgen waarin de pijlen overeenstemmen met de gekozen richting.

Het geven van/reageren op signalen 

Tijdig richting aangeven als op de rotonde van rijstrook wordt veranderd of als deze verlaten wordt.

De richtingaanwijzer wordt steeds buiten werking gesteld zodra er van rijstrook is veranderd of zodra er is afgeslagen.

Indien de rotonde genaderd wordt met de bedoeling de eerste afslag op de rotonde te verlaten dan bij nadering van de rotonde richting aangeven naar rechts.

Bij driekwart ronden van de rotonde, op de toeleidende weg tijdig richting aangeven naar links. De richtingaanwijzer buiten werking stellen zodra vanuit voorgesorteerde positie de rotonde is opgereden. Omwille van een betere communicatie met het andere verkeer kan het -afhankelijk van o.a. de te volgen rijrichting- zinvol zijn de richtingaanwijzer langer in werking te laten (minirotondes).

Op rotondes met meer dan één rijstrook voor dezelfde richting kan het wenselijk zijn het richting aangeven anders uit te voeren. Anders zou er verwarring kunnen ontstaan bij andere weggebruikers.

Bij nadering van en rijdend op de rotonde is het van groot belang rekening te houden met de door andere bestuurders aangegeven richting.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen, tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zódanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Steeds afremmen op een aan de situatie aangepaste wijze.

(bron:https://www.cbr.nl)