Hoofdstuk 3.4 Invoegen - uitvoegen


Bij het invoegen is het belangrijk dat de snelheid van het verkeer dat van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijdt nagenoeg gelijk is aan de snelheid van het verkeer op die doorgaande rijbaan. Een goed gebruik van de invoegstrook maakt het invoegende bestuurders mogelijk de snelheid aan te passen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan.

Onder normale omstandigheden wordt pas op de uitrijstrook snelheid verminderd. Zodoende kan het verkeer op de doorgaande rijbaan ongehinderd zijn weg vervolgen.

Een invoeg- of uitrijstrook is een weggedeelte dat door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan is afgescheiden.

Zonder invoegstrook zou het oprijden en verlaten van de doorgaande rijbaan in veel gevallen tot gevaarlijke situaties leiden. In het bijzonder bij auto(snel)wegen waar het verkeer meestal met hoge snelheden rijdt. Invoegen vanaf een vluchtstrook, parkeerstrook of parkeerplaats gebeurt op dezelfde wijze zoals omschreven in dit hoofdstuk.

Bij het invoegen en het uitvoegen moet een aantal handelingen op de juiste wijze worden uitgevoerd, zodat geen gevaar of hinder voor het overige verkeer wordt veroorzaakt.

De belangrijkste handelingen zijn:

  • het kijkgedrag
  • het regelen van de snelheid
  • het juiste gebruik van het beschikbare weggedeelte.

Een goed gebruik van de invoegstrook vergemakkelijkt het oprijden van de doorgaande rijbaan, zonder dat het verkeer op die rijbaan wordt gehinderd.

Een goed gebruik van de uitrijstrook vergemakkelijkt het verlaten van de doorgaande rijbaan, zodat het verkeer op de doorgaande rijbaan ongehinderd zijn weg kan vervolgen.

Er zijn ook invoegstroken in combinatie met een uitrijstrook. Zowel het verkeer dat wil gaan invoegen, als het verkeer dat zich op de doorgaande rijbaan bevindt en wil uitvoegen, maakt in die situatie gebruik van deze gecombineerde invoeg- en uitrijstrook.

Het komt bij deze wegconstructie voor dat, komend van een toeleidende weg en rijdend op de gecombineerde invoeg- en uitrijstrook, niet wordt ingevoegd èn evenmin wordt uitgevoegd.

Er is dan slechts sprake van de weg vervolgen, waarbij men zich echter bewust moet zijn van het bijzondere karakter van dat weggedeelte.

De wijze van rijden, in het bijzonder het kijkgedrag en de snelheid, daar op afstemmen; vooral op de plaats waar de gecombineerde strook en de doorgaande rijbaan samenkomen.

Belangen andere weggebruikers      

Er mag geen hinder ontstaan voor andere bestuurders.

Invoegen in de volgorde waarin met andere bestuurders de invoegstrook is opgereden. Zo wordt geen ruimte benut waarop eigenlijk een voorligger heeft geanticipeerd.

Tijdens het rijden op de invoeg- /uitrijstrook niet onnodig verkeer op de doorgaande rijbaan inhalen, zeker als er geen vluchtweg is. Voor een vlotte verkeersafwikkeling kan het inhalen via een gecombineerde invoeg- /uitrijstrook gewenst of noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld door de wegstructuur of het verkeersaanbod. Onnodige hinder en /of gevaar dient vermeden te worden.

Opmerkingen

Bij het rechts inhalen op invoeg- en uitrijstroken rekening houden met o.a.:

  • het wegvallen van de zichthoeken (linkerrijstrook)
  • de lengte van de invoeg- of uitrijstrook
  • het onderlinge snelheidsverschil
  • rijgedrag en positie van andere bestuurders.

Bij het berijden van een gecombineerde invoeg- / uitrijstrook, voor en tijdens het invoegen rekening houden met uitvoegend verkeer.

Bij het berijden van een korte gecombineerde invoeg- / uitrijstrook (bijv. de verbinding tussen twee kwadranten van een klaverblad) zo snel mogelijk invoegen. Zo wordt plaats gemaakt voor bestuurders die willen uitvoegen.

Een toeleidende weg kan ook rechtstreeks overgaan in een tot de doorgaande rijbaan behorende rijstrook. Bij het oprijden van die strook rekening houden met het verkeer dat op de doorgaande rijbaan naar rechts kan uitwijken.

Kijkgedrag             

Bij het invoegen en uitvoegen goed opletten.

Invoegen

Het is belangrijk al in een zo vroeg mogelijk stadium op de toeleidende weg naar de invoegstrook het verkeer op de doorgaande rijbaan te observeren. Zo kan worden vastgesteld of er invoegmogelijkheden zijn. Tijdens het rijden op de invoegstrook (al dan niet gecombineerd met een uitrijstrook) regelmatig de situatie achter de auto observeren, door te kijken in de spiegels.

Juist vóór het oprijden van de doorgaande rijbaan bovendien over de linkerschouder kijken om te controleren of er geen voertuig is in de zgn. ’dode hoek’.

Bij voorkeur alleen dan over de schouder kijken wanneer zich een reële invoegmogelijkheid voordoet. Zo blijft er zicht op eventueel vertragend of afremmend verkeer dat vóór de invoegende bestuurder rijdt.

Dat kijken mag niet ontaarden in achterom kijken, te vaak of onnodig lang over de schouder kijken. Hierdoor kan ongewenste koersverandering optreden. Bovendien ziet men dan niet wat er vóór de auto gebeurt.

Wordt ingevoegd in een stilstaande of zeer langzaam rijdende file, dan aan het begin van de invoegstrook daartoe de gelegenheid ’vragen’ door middel van oogcontact met de betrokken bestuurders in combinatie met gebruik van de richtingaanwijzers.

Wanneer men bij het oprijden van de gecombineerde invoeg- en uitrijstrook niet invoegt, maar rechts blijft rijden om als het ware direct weer uit te voegen, op dezelfde wijze kijken als bij het invoegen.

Als de toeleidende weg overgaat in de doorgaande rijbaan extra aandacht besteden aan bestuurders die zich naar rechts verplaatsen.

Uitvoegen

Het is belangrijk al in een zo vroeg mogelijk stadium op de doorgaande rijbaan het verkeer op de uitrijstrook (eventueel gecombineerd met een invoegstrook) te observeren.

Bij het naderen van een rechtsgelegen uitrijstrook in de binnenspiegel, in de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder kijken.

Zo kan achteropkomend verkeer dat eveneens wil uitvoegen, worden opgemerkt.

Bij het naderen van een linksgelegen uitrijstrook in de binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder kijken. Zo kan achteropkomend verkeer dat eveneens wil uitvoegen, worden opgemerkt.

Om zich ervan te overtuigen of de manoeuvre op veilige wijze kan worden uitgevoerd, juist vóór het verlaten van de doorgaande rijbaan nogmaals kijken zoals hierboven vermeld.

Het over de schouder kijken mag niet ontaarden in achterom kijken, te vaak of onnodig lang over de schouder kijken. Hierdoor kan ongewenste koersverandering optreden. Bovendien ziet men dan niet wat er vóór de auto gebeurt.

Wordt uitgevoegd in een stilstaande of zeer langzaam rijdende file (vaak op een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook), dan aan het begin van de uitrijstrook daartoe gelegenheid ’vragen’ door middel van oogcontact met de betrokken bestuurders. Dit in combinatie met gebruik van de richtingaanwijzer.

Voor laten gaan       

Bij het oprijden van de doorgaande rijbaan, het verkeer op die rijbaan voor laten gaan. Bij het uitvoegen verkeer op de uitrijstrook voor laten gaan.

De wetgever eist van zowel de invoegende als de uitvoegende bestuurder dat het overige verkeer wordt voorgelaten. Deze bepaling kan problemen veroorzaken bij een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook.

In die situatie is dan ook het uitgangspunt dat invoegende bestuurders uitvoegende bestuurders voor laten gaan. Zo kan het verkeer op de doorgaande rijbaan ongehinderd zijn weg vervolgen.

Bij een gecombineerde invoeg- / uitrijstrook zijn de onderlinge snelheidsverschillen vaak aanzienlijk. Rekening houden met elkaar en het anticiperen spelen dan een nog grotere rol dan anders.

Plaats op de weg / plaats van handeling              

De invoegstrook over een zodanige lengte benutten als nodig is. Uitvoegen geschiedt aan het begin van de uitrijstrook.

Invoegen

Ook als er op de doorgaande rijbaan geen verkeer is, de invoegstrook toch over voldoende lengte benutten. Op die manier kan op de voorgeschreven manier worden gekeken en de snelheid worden opgevoerd.

Van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden gebeurt in een vloeiende lijn. Als in verband met verkeersdrukte op de doorgaande rijbaan moet worden gestopt op de invoegstrook wordt bij voorkeur op het eerste gedeelte van die strook gestopt. Het resterende deel kan dan alsnog gebruikt worden om op juist wijze in te voegen.

In één beweging doorgaan van de invoegstrook naar een andere rijstrook dan de meest rechtse, is niet geoorloofd. Als de invoegstrook overgaat in een vluchtstrook, bij het invoegen in beginsel geen gebruik maken van die strook.

Zodra de gecombineerde invoeg- uitrijstrook van pijlen naar rechts op het wegdek is voorzien in beginsel geen gebruik maken van deze strook om in te voegen.

Te dicht invoegen achter een ander voertuig dat zich op de doorgaande rijbaan bevindt, dient te worden vermeden.

Uitvoegen

Alvorens uit te voegen: tijdig (circa 600 meter van tevoren) de rijstrook gaan berijden die grenst aan de uitrijstrook. Vanuit die positie, na uitvoering van de voorbereidende handelingen (kijken en richting aangeven) de uitrijstrook oprijden.

Alleen een erg langzaam rijdend voertuig op het begin van de uitrijstrook mag, wanneer dit een lange uitrijstrook is, nog worden ingehaald via de doorgaande rijbaan.

Het vanaf de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden, gebeurt in een vloeiende lijn. Te dicht uitvoegen achter een ander voertuig, dat zich op de uitrijstrook bevindt, dient te worden vermeden.

Het is niet toegestaan bij het verlaten van de doorgaande rijbaan via de vluchtstrook de uitrijstrook op te rijden.

Het kan voorkomen dat bij een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook uitvoegen aan het begin van die strook niet mogelijk is in verband met verkeer op die strook.

In dat geval mag bij een strook van grotere lengte op de doorgaande rijbaan worden doorgereden. Echter alleen als er elders op die strook wel een mogelijkheid is tot uitvoegen. Voorkomen moet worden dat op de doorgaande rijbaan wordt gestopt. Een uitrijstrook kan bestaan uit twee naast elkaar gelegen rijstroken. Het gebruik van de linkerrijstrook is afhankelijk van de richting die gevolgd gaat worden en de intensiteit van het verkeer.

Volgafstand houden   

Tijdens invoegen en uitvoegen voldoende afstand houden.

Vooral op een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook afstand houden en zorgen dat ’weven’ mogelijk wordt.

De volgafstand wordt mede bepaald door het soort voertuig dat gevolgd wordt en de snelheid waarmee wordt gereden.

Bij het uitvoegen, waarbij vaak sprake is van sterke snelheidsvermindering, is afstand houden erg belangrijk.

Snelheid 

De snelheid op de invoegstrook zoveel mogelijk aanpassen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan. De snelheid waarmee op de doorgaande rijbaan wordt gereden in beginsel aanhouden tot op de uitrijstrook.

Invoegen

De snelheid op de invoegstrook ook afstemmen op die van voorliggers.

De eerste invoegmogelijkheid kan worden benut als de snelheid voldoende is aangepast aan het verkeer op de doorgaande rijbaan. Bij langzaam rijdend fileverkeer de snelheid zodanig regelen dat bij voorkeur niet op de invoegstrook gestopt behoeft te worden.

Ook als wordt ingevoegd via een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook, de snelheid zoveel mogelijk aanpassen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan en aan het uitvoegende verkeer.

Wanneer vanaf de invoegstrook de doorgaande rijbaan van een auto(snel)weg wordt opgereden op het moment dat geen of nagenoeg geen andere bestuurders naderen, dient de snelheid zoveel mogelijk te zijn afgestemd op die welke gebruikelijk is op die weg.

Als bij het berijden van de gecombineerde invoeg- / uitrijstrook niet wordt ingevoegd, rekening houden met verkeer dat vanaf de doorgaande rijbaan wil uitvoegen door de snelheid daarop af te stemmen.

Uitvoegen

Op de uitrijstrook de snelheid, indien wenselijk, verder aanpassen. Snelheidsvermindering op de doorgaande rijbaan is o.a. toegestaan als:

  • de uitrijstrook onvoldoende gelegenheid biedt (i.v.m. lengte) tot snelheid minderen
  • andere omstandigheden eisen de snelheid aan te passen
  • indien de verkeerssituatie het toelaat de gastoevoer te verminderen (energiezuinig rijden).

In voorkomend geval gebeurt dit zo geleidelijk mogelijk. Bij een gecombineerde invoeg- / uitrijstrook de snelheid tevens aanpassen aan de totale situatie. De lengte van deze strook en het verkeersaanbod zijn hierbij medebepalend.

Geven van/reageren op signalen 

Tijdig voordat vanaf de invoegstrook de doorgaande rijbaan wordt opgereden, een teken met de richtingaanwijzer geven. Bij het uitvoegen, rijdend op de rechterrijstrook, tijdig (circa 300 m van tevoren) richting aangeven.

Invoegen

Het richting aangeven mag nimmer gebruikt worden als dwangmiddel.

Bij gecombineerde invoeg-/uitrijstroken kan het nodig zijn eerder richting aan te geven om het overige verkeer beter op de situatie te kunnen laten anticiperen.

Het richting aangeven beëindigen zodra met het gehele voertuig de blokmarkering overschreden is.

Wanneer bij het oprijden van een gecombineerde invoeg- en uitrijstrook niet wordt ingevoegd, wordt kort vóór de plaats waar invoeg- en uitrijstrook en doorgaande rijbaan samenkomen, richting aangegeven naar rechts.

Rijdend op een invoegstrook letten op achteropkomende bestuurders op de doorgaande rijbaan die richting aangeven naar links. Als deze naar links uitwijken, kan worden gereageerd op de geboden gelegenheid om in te voegen.

Met name bij gecombineerde invoeg-/uitrijstroken letten op tekens van uitvoegende bestuurders. Op die manier kan op hen goed worden gereageerd.

Uitvoegen

De richtingaanwijzer buiten werking stellen ter hoogte van de plaats waar de strook zich van de doorgaande rijbaan afscheidt. Op een uitrijstrook, gecombineerde invoeg- en uitrijstrook van grotere lengte of een uitrijstrook met meerdere rijstroken, kan de richtingaanwijzer eerder buiten werking worden gesteld. Voor de duidelijkheid naar het andere verkeer kan het zinvol zijn tussentijds en kort voor het einde van de uitrijstrook nogmaals richting aan te geven.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen, tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zodanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

De wijze van afremmen moet steeds zijn afgestemd op de betreffende situatie.

(bron:https://www.cbr.nl)