Hoofdstuk 3.3 Gedrag nabij en op kruispunten


Een kruispunt wordt met de nodige voorzichtigheid genaderd. De snelheid waarmee het kruispunt wordt genaderd en het kijkgedrag zijn van groot belang. Zo kan niet alleen aan de voorrangsverplichting worden voldaan, maar kan ook beter worden gereageerd wanneer de andere weggebruiker zijn voorrangsverplichting niet nakomt.

Op een kruispunt komen meerdere verkeersstromen bij elkaar die in verschillende richtingen verder kunnen gaan. Sommige kruispunten zijn uitgevoerd als een klein plein (minirotonde). Deze bijzondere uitvoering is benoemd onder het onderdeel ’bijzondere weggedeelten’.

Speciale aandacht is vereist als meerdere kruisingsvlakken achter elkaar moeten worden opgereden. Bijvoorbeeld bij:

  • wegen met gescheiden rijbanen
  • wegen met vrijliggende fiets- en/of voetpaden
  • fiets- en fiets/bromfietspaden met verkeer in twee richtingen
  • wegen, waarvan de hoofdrijbaan wel als voorrangsweg is aangeduid, en de secundaire rijbanen niet.

Het kruisingsvlak zo snel mogelijk vrij maken in volgorde van aankomst.

Afslaan gebeurt op kruispunten.

Bij sommige kruispunten is onder het bord voorrangsweg of het bord voorrangskruispunt het onderbord ’afbuigende voorrang’ aangebracht. In combinatie met een bepaalde wegmarkering wordt tevens het wegverloop ter plaatse geaccentueerd. Wordt bij een afbuigende voorrangsituatie het door het onderbord aangegeven wegverloop gevolgd, dan zal dit aangemerkt worden als rechtdoor rijden. Als echter van het doorgaande wegverloop afgeweken wordt, is afslaan aan de orde.

De voorbereidende handelingen die nodig zijn om verantwoord te kunnen afslaan laten onverlet de bijzondere verplichtingen op kruispunten. Afslaan betekent dat er meestal een bocht moet worden gereden. Daarbij zijn beheersing voertuig in combinatie met de gereden snelheid en de plaats op de weg van groot belang.

Ook de technische bediening is belangrijk.

Het moment waarop de beslissing om af te slaan wordt genomen, moet zodanig zijn dat alle voorbereidende handelingen op verantwoorde en correcte wijze zijn uit te voeren.

Vooral op grotere kruispunten zijn de voorsorteervakken (afgescheiden door blokmarkering) vaak van aanmerkelijke lengte. Hierbij is geen sprake van uitvoegen maar van voorsorteren.

Belangen andere weggebruikers      

Bij het naderen en oprijden van een kruispunt steeds zo veilig mogelijk handelen. Voorkom onnodig hinderen.

Alleen zó kan correct worden gereageerd op onjuist weggedrag van anderen en op onverwachte omstandigheden.

Voor een vlotte doorstroming van het verkeer of het bevorderen van een veiliger verkeerssituatie kan het wenselijk of noodzakelijk zijn een niet-voorrangsgerechtigde toch voorrang te verlenen of voor te laten.

Hoewel op kruispunten aan voetgangers wettelijk gezien geen voorrang hoeft te worden verleend, dient onder bepaalde omstandigheden nadrukkelijk met hun belang rekening te worden gehouden.

Bij het afslaan geen gevaar of meer dan noodzakelijke hinder voor andere weggebruikers veroorzaken.

Dit geldt ten opzichte van alle verkeer, ongeacht waar dit zich bevindt of van welke richting dit nadert.

Kijkgedrag             

Bij het naderen en het oprijden van een kruispunt goed opletten.

Bij nadering van een kruispunt in een zo vroeg mogelijk stadium vaststellen:

  • de aard van het kruispunt: voorrang verlenen of krijgen
  • de algehele situatie op en nabij dat kruispunt: soort en toestand wegdek, bijzondere omstandigheden, e.d.
  • uitzicht, ook bezien vanuit die andere bestuurder.

Aan de hand daarvan kan de naderingssnelheid worden bepaald.

In de spiegels kijken naar de situatie achter de auto.

Even voor het oprijden van het kruispunt nogmaals kijken in de richting van waaruit ander verkeer kan naderen om vast te stellen of het kruispunt kan worden opgereden. Het kijken moet er op zijn gericht bewust waar te nemen.

In ieder geval kijken in de volgorde: naar voren, naar links, naar voren en naar rechts. Dit bij het oprijden van het kruispunt herhalen zo vaak als nodig is.

Als de kruisende weg gescheiden rijbanen heeft, vóór het oprijden naar het midden van het kruispunt kijken om te zien of daar voldoende opstelruimte is.

Bij bord B6 of B7 het kijkgedrag nog nadrukkelijker op die situatie afstemmen.

Ter voorbereiding op het afslaan, tijdig en op juiste wijze kijken.

Kijkwijze en volgorde:

  • bij het naar rechts afslaan in de binnenspiegel, naar voren, in de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder
  • bij het naar links afslaan in de binnenspiegel, naar voren, in de linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder.

Zo kan het totale verkeersbeeld worden gezien, dus ook het verkeer rechts of links naast het voertuig. Het over de schouder kijken moet niet ontaarden in achterom, langdurig of onnodig vaak kijken. Hierdoor kan ongewenste koersverandering optreden. Bovendien ziet men dan niet wat er vóór de auto gebeurt.

Vóór het kruisen van parallelwegen, fietspaden of fietsstroken, vrij liggende paden e.d. controleren via de buitenspiegel en in de dode hoek of dit weggedeelte veilig en zonder hinder gekruist kan worden.

Dit kijken dient te geschieden terwijl de auto in rechte lijn rijdt. Extra aandacht is vereist bij en fietspaden e.d. waarop verkeer in beide richtingen rijdt.

Bij het naar links afslaan even voor het ingaan van de bocht nog eens kijken in de linkerbuitenspiegel, in verband met inhalend verkeer.

Voordat de nieuw te volgen weg wordt ingereden, kijken of zich op die weg geen obstakels bevinden en op die weg geen inhaalmanoeuvre wordt uitgevoerd, waardoor men met een tegenligger wordt geconfronteerd.

Na het afslaan, tijdens het opvoeren van de snelheid, kijken in de binnen- en buitenspiegels en zo letten op achteropkomend verkeer.

Voorrangverlenen /voor laten gaan       

Voorrang verlenen aan daarop rechthebbende bestuurders.

De wijze van naderen moet zodanig zijn, dat bij de voorrangsgerechtigde bestuurder het vertrouwen wordt gewekt dat aan hem voorrang wordt verleend.

Wordt gestopt om voorrang te verlenen, dan zodanig stoppen dat de andere bestuurder ongehinderd zijn weg kan vervolgen.

Vooral bij grote voertuigen rekening houden met de draaicirkel. Daarop rechthebbende weggebruikers worden voorgelaten (voorrangsvoertuigen, blinden, trams e.d.)

Bij het naar links of rechts afslaan het daarop rechthebbende verkeer voor laten gaan. Enige hinder kan in bepaalde gevallen bij het voorsorteren niet vermeden worden. Hier zal zorgvuldig en bewust mee omgegaan moeten worden.

Vaak is een tot de weg behorend fiets- bromfietspad zodanig van de rijbaan afgeleid, dat het daardoor wordt gezien als afzonderlijk kruispunt. Meestal is dat herkenbaar aan de haaientanden op het fietspad. Hierbij geldt dan niet de wettelijke verplichting (betreffende het afslaan) de fietsers en bromfietsers voor te laten gaan.

Plaats op de weg / plaats van handeling              

Een kruispunt niet blokkeren.

Als voor een kruispunt moet worden gestopt, dan niet verder doorrijden dan de weg- of verkeerssituatie toelaat.

Slechts oprijden indien:

  • kan worden doorgereden of het kruispunt kan worden vrijgemaakt
  • opstellen tussen de kruisende verkeersstromen mogelijk is.

Indien het een door verkeerslichten of -tekens geregeld kruispunt betreft, kan het in bepaalde situaties in verband met de doorstroming verstandig zijn om kortstondig op het kruispunt stil te staan.

Kortstondig stoppen op een kruisend fietspad of een voetgangersoversteekplaats is soms noodzakelijk om uitzicht te krijgen op de kruisende weg. Daarbij geen (brom)fietsers en voetgangers hinderen.

Bij het afslaan kan, na kijken en richting aangeven, het best worden voorgesorteerd.

Bij het rijden van de bocht de juiste plaats op de rijbaan innemen.

Wijze van voorsorteren:

  • bij het naar rechts afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijbaan gaan rijden
  • bij het naar links afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas gaan rijden, op een rijbaan met verkeer in één richting zoveel mogelijk links gaan rijden en op een rijbaan met beperkt eenrichtingsverkeer zo veel mogelijk tegen de wegas gaan rijden.

Voorsorteren is vereist in situaties waarbij door niet voorsorteren: – een onveilige situatie ontstaat of kan ontstaan

  • een vlotte doorstroming van het verkeer wordt of kan worden belemmerd.

Bijvoorbeeld

  • door voor te sorteren bij het links afslaan, wordt voorkomen dat achteropkomend verkeer links gaat inhalen, waardoor ten opzichte van tegemoetkomend verkeer ongewenste situaties (kunnen) ontstaan
  • door voor te sorteren bij het links afslaan, wordt voor het achteropkomend verkeer vaak ruimte gecreëerd om rechts in te halen
  • door voor te sorteren bij het rechts afslaan, wordt voorkomen dat achteropkomend verkeer meer dan noodzakelijk wordt gehinderd bij het inhalen.

Als de rijbaan in meerdere rijstroken is verdeeld, bij aanwezigheid van een voorsorteerstrook, tijdig de aangrenzende strook berijden en vanaf die strook de voorsorteerstrook op gaan.

Soms kan het voorsorteren beter achterwege blijven. Zo moet worden voorkomen dat in voorgesorteerde positie waarbij langzaam wordt gereden of gestopt, fietsers en bromfietsers onnodig worden gehinderd.

In voorgesorteerde positie tegen de as van de rijbaan stilstaan, kan vooral op buitenwegen gevaarlijk zijn. Beter is dit soort situaties te vermijden.

  • Fietsstrook (onderbroken streep)

Alhoewel het gebruik van deze strook voor andere bestuurders dan fietsers of gehandicaptenvoertuigen wettelijk niet verboden is, blijft die strook in feite een deel van de rijbaan dat bestemd is voor fietsers. Andere bestuurders maken dan ook alleen gebruik van deze strook als een bepaalde verkeerssituatie dat wenselijk of noodzakelijk maakt. Daarbij mogen in geen geval fietsers gehinderd worden. Stoppen op een fietsstrook dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.

  • Suggestiestrook (zonder symbolen)

Dit is een deel van de rijbaan waarvan gesuggereerd wordt dat dit bestemd is voor fietsers en gehandicaptenvoertuigen.

Bij het naar rechts afslaan mag deze strook worden gebruikt.

  • Tekens ter geleiding van het verkeer

Bochtaangevende vlakken, verdrijvingsvlakken, druppels e.d. of tekens welke een betere doorstroming bevorderen, respecteren. Dat geldt ook ten aanzien van doorgetrokken strepen die de rijbaan niet in rijstroken verdelen, zoals kantlijnen.

Wordt bij het links afslaan in verband met tegemoetkomend verkeer gestopt, dan het kruispunt vrij houden. Daarbij de voorwielen van de auto zoveel mogelijk in de ’rechtuitstaand’ houden.

De verplichting het kruispunt vrij te houden geldt niet, indien het verkeer ter plaatse geregeld wordt door verkeerslichten of het verkeer op de betreffende weg voorrang heeft ten opzichte van het dwarsverkeer.

Indien bij het links afslaan de in te rijden weg uit twee of meer rijbanen bestaat, dan de juiste rijbaan inrijden.

Bij tegemoetkomend verkeer dat op hetzelfde kruispunt eveneens links afslaat, bij voorkeur voor elkaar langs rijden tenzij verkeerstekens op het wegdek anders aangeven.

Opmerkingen

Haaientanden bestemd voor de kruisende bestuurders zijn niet bedoeld voor geleiding van het verkeer.

Bij het rijden van de bocht moet in een vloeiende stuurbeweging de juiste plaats op de rijbaan worden aangehouden c.q. ingenomen.

Bij een bocht naar:

  • rechts, zoveel mogelijk rechts houden
  • links, zodanig rijden dat op de rechterweghelft wordt uitgekomen. ’Afsnijden’ van de bocht voorkomen
  • links een smalle straat inrijden, pas oprijden als zicht is gehaald, in verband met tegemoetkomend verkeer.

Volgafstand houden                  

Bij het afslaan voldoende afstand houden zodat op tijd kan worden gestopt.

Indien een voorligger de indruk wekt te zullen gaan afslaan, extra afstand houden.

Snelheid 

Een kruispunt met veilige en verantwoorde snelheid naderen en oprijden.

De naderingssnelheid is juist, als onder alle omstandigheden op normale wijze aan de voorrangsverplichting kan worden voldaan en gevolg kan worden gegeven aan verkeerslichten, verkeerstekens en/of aanwijzingen.

Kruispunten die op korte afstand van elkaar liggen, met een zo gelijkmatig mogelijke snelheid naderen. Het rijden met steeds wisselende snelheden vermijden.

Ook bij de nadering van kruispunten waar men zelf voorrangsgerechtigd is - indien nodig - de snelheid aanpassen. Zeker indien het verkeer op de zijweg door een te hoge snelheid of anderszins niet de indruk wekt voorrang te verlenen.

Bij bord B6 de snelheid nog nadrukkelijker afstemmen op de situatie.

Bij bord B7 met een zodanige snelheid naderen dat op een aangepaste wijze kan worden gestopt.

Bij het afslaan met een zodanige snelheid rijden dat de manoeuvre veilig kan worden uitgevoerd.

De snelheid moet daarbij zijn aangepast aan de complete verkeerssituatie. Zo kan:

  • de bocht op correcte wijze worden uitgevoerd
  • worden voldaan aan de verplichting daarop rechthebbend verkeer voor te laten gaan
  • tijdig worden gestopt (indien noodzakelijk).

Als snelheid moet worden verminderd, gebeurt dit in principe in voorgesorteerde positie en voordat wordt ingestuurd. Na de bocht snelheid aanpassen aan de omstandigheden.

Reageren op verkeerslichten en aanwijzingen         

Gevolg geven aan de voor de gekozen rijrichting bestemde verkeerslichten.

Aanwijzingen gegeven door bevoegde ambtenaren opvolgen.

Niet stoppen of afremmen indien bij het gele verkeerslicht doorgereden moet worden, als dat teken zo dicht is genaderd dat door stoppen of afremmen gevaar ontstaat of kan ontstaan voor het achteropkomende verkeer.

Bij verkeerslichten waarvan het gele licht knippert, is extra voorzichtigheid geboden.

Aan tekens van verkeersbrigadiers wordt gevolg gegeven.

Reageren op overige verkeerstekens     

Verkeerstekens die volgens wettelijk voorschrift moeten worden opgevolgd in acht nemen.

Als op een kruispunt de te volgen richting of de in acht te nemen rijwijze is geregeld door verkeerstekens, deze opvolgen. Ook rekening houden met tekens die een waarschuwend karakter hebben zoals ‘gevaarlijk kruispunt’ en dergelijke. Bij aanwezigheid van bord B7 stoppen vóór de stopstreep. Is er geen stopstreep, dan op een zodanige plaats stoppen dat het kruispunt zo goed mogelijk kan worden overzien en veilig kan worden opgereden.

Bij het afslaan gevolg geven aan tekens die een gebod of verbod inhouden.

Voorsorteerstrook

Bij het voorsorteren gebruik maken van de voorsorteerstrook op de rijbaan.

Wanneer voor één richting meerdere stroken beschikbaar zijn, wordt de keuze van rijstrook afgestemd op het aanwezige verkeer en de situatie ter plaatse.

Zo wordt bij voorkeur de linkerrijstrook gebruikt als in de rechterrijstrook veel of langzamer rijdend vrachtverkeer aanwezig is. Ook wordt de rijstrookkeuze afgestemd op de rijstrook die na het afslaan gevolgd gaat worden.

Een eenmaal gekozen voorsorteerstrook zo veel mogelijk blijven volgen. Dat bevordert een rustig verkeersbeeld.

In een andere rijstrook stilstaande/langzaam rijdende voertuigen mogen rechts worden ingehaald.

Als een voorsorteerstrook is bestemd voor alle bestuurders in die richting, een zodanige positie innemen dat rechts naast het voertuig voldoende ruimte beschikbaar blijft voor fietsers en bromfietsers.

Geven van/reageren op signalen 

Bij het afslaan tijdig en nadat is gekeken, richting aangeven.

Onder tijdig wordt verstaan: op een zodanig tijdstip dat ander verkeer ruim van tevoren kennis kan nemen van de bedoeling om af te slaan en daar ook het eigen rijgedrag op kan afstemmen. Na de bocht het richting aangeven beëindigen.

Bij het niet volgen van de doorgaande weg en er in feite sprake is van afslaan, richting aangeven. Dit echter, afhankelijk van de wegsituatie, zodanig uitvoeren dat voor andere weggebruikers geen onduidelijkheid ontstaat.

Op signalen van andere bestuurders wordt tijdig en op juiste wijze gereageerd.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen, tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Deze verplichting geldt bijvoorbeeld indien een andere bestuurder geen voorrang verleent. In een dergelijk geval niet doorrijden, maar trachten een aanrijding te voorkomen en de situatie zo veilig mogelijk oplossen.

Niet zonder noodzaak zodanig remmen dat daardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan. Deze verplichting betekent bijvoorbeeld, dat niet onnodig voorrang verleend moet worden aan niet-voorrangsgerechtigden. Steeds op een aangepaste wijze vertragen, remmen of stoppen en niet harder of langer remmen dan noodzakelijk is.

(bron:https://www.cbr.nl