Hoofdstuk 3.2   Rijden op rechte en bochtige weggedeelten


Bij het berijden van wegen dient rekening te worden gehouden met een aantal factoren, zoals:

  • de wegstructuur (al dan niet verdeeld in meerdere rijbanen met rijstroken en/of al dan niet voorzien van fiets- en voetpaden)
  • het soort weg (auto(snel)weg of ’gewone’ weg)
  • de plaats waar de weg is gelegen (binnen of buiten de bebouwde kom)
  • de bebakening, markering, signalering, wegverharding, e.d.
  • andere omstandigheden zoals verkeersdrukte, het weer, aanwezige bebouwing, uitzicht.

In dit onderdeel worden uitsluitend de bochten in het wegverloop behandeld. Bochten tijdens het afslaan worden bij het onderdeel kruispunten benoemd. Indien het een afbuigende voorrangssituatie betreft waarbij de doorgaande voorrangsweg wordt gevolgd dan is dit onderdeel aan de orde.

Enkele kenmerkende verschillen bij het volgen van bochten ten opzichte van rijden op rechte weggedeelten zijn:

De waarneming en de beoordeling van een bocht

Door goed en tijdig inschatten van bochtverloop, rijbaan- en/of rijstrookbreedte, wegverkanting, soort en toestand van het wegdek e.d., kan het rijgedrag worden aangepast.

Vooral op smalle wegen komen in de binnenbocht vaak zichtbelemmerende obstakels voor. Goed bepalen van de scherpte van die bocht is dan extra moeilijk.

Het zicht op de aanwezigheid van een bocht en het verloop daarvan, wordt veelal vergemakkelijkt door de ’taal van de weg’ (wegbebakening, bochtschilden, bermpalen). Belijningen op het wegdek en een langs de weg staande bomenrij e.d. verhogen ook de waarneembaarheid.

Het zicht in de bocht

Anders dan op rechte weggedeelten kan de zichtafstand in bochten beperkt worden door de straal van de bocht in combinatie met begroeiing of bebouwing.

Ook de afstand tussen (eventuele) zichtbeperkende objecten speelt daarbij een rol.

Een bocht is voldoende overzichtelijk indien vóór het inrijden van de bocht:

  • verkeer en eventueel in de bocht stilstaande voertuigen of andere obstakels waar te nemen zijn
  • de toestand van het wegdek kan worden beoordeeld – het einde van de bocht te zien is.

Niet voldoende overzichtelijke bochten worden met een aangepaste en constante snelheid gereden. Pas wanneer de bocht geheel te overzien is en de situatie dit toestaat, kan de snelheid worden verhoogd.

Een factor die een bocht extra gevaarlijk maakt, is de aanwezigheid van een zogenaamde ’nabocht’. In dat geval blijft de straal van die bocht niet constant, maar wordt die op een bepaalde plaats (aanmerkelijk) kleiner. De kans bestaat dat deze straalverandering te laat wordt opgemerkt waardoor het voertuig uit de koers raakt. Nog meer dan anders is hierbij de snelheid van belang. Deze wordt immers meestal bepaald aan de hand van de indruk die voor of bij het ingaan van de bocht verkregen is.

Rijden van de bocht

De snelheid in een bocht wordt nadrukkelijk begrensd door het optreden van de middelpuntvliedende kracht die op het voertuig werkt en de wrijvingsweerstand (grip) tussen band en wegdek.

Snelheid, straal van de bocht en massa van het voertuig zijn bepalend voor de grootte van die middelpuntvliedende kracht. De banden en de stroefheid van het wegdek waarop gereden wordt, zijn bepalend voor de wrijvingsweerstand (grip) tussen band en wegdek.

Naarmate de middelpuntvliedende kracht toeneemt, wordt de kans groter dat de band zijn grip op het wegdek kwijt raakt. Het gevolg is dat het voertuig de gekozen rijlijn niet kan volgen en het voertuig uit de bocht raakt.

Wegverkanting kan in bochten eveneens een belangrijke rol spelen.

Zo vermindert een positieve verkanting het effect van de naar buiten gerichte middelpuntvliedende kracht, terwijl een negatieve verkanting dit effect versterkt. Vooral op smalle bochtige wegen en op bochtige toeleidende wegen naar en afritten van auto(snel) wegen dient men hierop bedacht te zijn.

Ook betreft dit onderdeel situaties waarbij tegemoetkomende en elkaar (links of rechts) inhalende bestuurders gebruikmaken van dezelfde rijbaan.

Tegemoetkomen is slechts van toepassing indien de beschikbare ruimte onvoldoende is om elkaar ongehinderd te passeren. In een dergelijke situatie hebben beide bestuurders dezelfde verplichting (art. 5 WVW) ten opzichte van elkaar. Bij het inhalen zijn meerdere bestuurders betrokken. De bestuurder die inhaalt heeft de verplichting deze manoeuvre op veilige wijze uit te voeren.

De bestuurder die wordt ingehaald is wel betrokkene, maar hoeft slechts onder bepaalde omstandigheden te reageren op die situatie.

Betrokken bestuurders dienen zo te handelen dat de manoeuvre zo veilig mogelijk verloopt.

Belangen andere weggebruikers      

Steeds op een zodanige wijze rijden dat geen gevaar of (zo min mogelijk) hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Voorts moet de bestuurder, ook op het gedrag van andere weggebruikers, zódanig reageren dat er een zo veilig mogelijke situatie ontstaat en een goede verkeersdoorstroming wordt bevorderd. Rijdend op een auto(snel)weg worden onder bepaalde omstandigheden de op een invoegstrook rijdende bestuurders die moeten invoegen, geholpen.

Dit geldt bij een invoegstrook met daarop:

  • zwaar verkeer dat niet voldoende snelheid kan maken
  • meerdere bestuurders, die in verband met grote verkeersdrukte op de doorgaande rijbaan niet kunnen invoegen.

Hierop inspelen door het regelen van de snelheid en/of door naar links uit te wijken.

Bij het tegemoetkomen en ingehaald worden zijn altijd andere weggebruikers betrokken, dus dient rekening gehouden te worden gehouden met alle betrokkenen.

Daarbij zijn tussenruimte en snelheid van groot belang. Als naar rechts wordt uitgeweken, ook rekening houden met weggebruikers die zich aan de rechterzijde van de weg bevinden.

Tegemoetkomen

Omstandigheden die hierbij extra aandacht kunnen vragen, zijn:

  • een geringe rijbaanbreedte, al dan niet in combinatie met intensief (brom)fietsverkeer. Denk hierbij ook aan de meer kwetsbare bestuurders. Vaak betekent dit dat in deze situaties nog meer vertraagd of zelfs gestopt moet worden
  • de situatie waarbij beide bestuurders op hun weggedeelte geconfronteerd worden met obstakels. Hierbij wordt gehandeld naar omstandigheden
  • te geringe rijbaanbreedte om zonder meer door te kunnen rijden. Zonodig stoppen en in onderling overleg (bijvoorbeeld via oogcontact of handgebaren) de situatie oplossen.

Ingehaald worden

Wanneer als gevolg van die inhaalmanoeuvre voor tegemoetkomende bestuurders gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan, dient de bestuurder die ingehaald wordt te trachten die onveilige situatie op te heffen door:

  • snelheid te verminderen
  • uit te wijken
  • eventueel te stoppen.

Vooral bij het met lage snelheid in file rijden, kan men met inhalende motorfietsen worden geconfronteerd. Afhankelijk van de beschikbare ruimte halen deze bestuurders links of rechts in. Daar attent op zijn en zó sturen dat de beschikbare ruimte niet verkleind wordt. Indien mogelijk zelfs trachten die ruimte wat te vergroten door uit te wijken.

Kijkgedrag             

Goed letten op de situatie voor, naast en achter de auto, evenals op de wijze hoe deze zich ontwikkelt.

Daartoe regelmatig in de spiegels kijken, vooral bij bijzondere wegsituaties zoals wegversmallingen, weefvakken e.d.

Voordat vertraagd en/of geremd wordt, kijken in de binnenspiegel (eventueel ook in de buitenspiegels) en rekening houden met achteropkomend verkeer.

Wanneer gestopt wordt aan de rechterzijde van de rijbaan goed letten op rechts naast en kort achter de auto rijdende (brom)fietsers.

Om een bocht goed te kunnen rijden zal dat weggedeelte tijdig opgemerkt en overzien moeten worden.

Bij minder overzichtelijke of onoverzichtelijke bochten is extra oplettendheid vereist. In die situaties kan men immers nog eerder met onverwachte ontwikkelingen worden geconfronteerd.

Bij tegemoetkomen en ingehaald worden,  goed opletten.

Voordat naar rechts wordt uitgeweken, kijken in de binnenspiegel, eventueel de rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder. In het geval dat naar links wordt uitgeweken kijken in de binnenspiegel, de linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder. Zo kan men zich ervan overtuigen of er voldoende ruimte is en of de manoeuvre veilig kan worden uitgevoerd.

Voor laten gaan       

Te allen tijde dienen de daarop rechthebbende weggebruikers voorgelaten te worden (voorrangsvoertuigen, blinden, e.d.)

Plaats op de weg/ plaats van handeling              

Zoveel mogelijk rechts houden.

De concrete situatie ter plaatse bepaalt wat onder ’zoveel mogelijk rechts’ wordt verstaan.

De bestuurder blijft op veilige afstand van trottoir, berm, aaneengesloten rij geparkeerde auto’s (portierbreedte), eventuele tegenliggers, e.d.

Wanneer aan de rechterzijde op enige afstand van elkaar voertuigen staan geparkeerd, niet telkens tussen deze voertuigen naar rechts gaan indien door niet naar rechts gaan, geen gebruik wordt gemaakt van de weghelft die bestemd is voor het tegemoetkomend verkeer.

Rekening houden met aanwezigheid van (brom)fietsers e.d. op de rijbaan en de plaats op de weg daarop afstemmen.

Zo hoeft op brede wegen zonder noodzaak niet naar rechts tussen (brom)fietsers te worden uitgeweken als dit een onrustig verkeersbeeld veroorzaakt. In een dergelijk geval zoveel mogelijk in een rechte lijn op de eigen rijbaanhelft rijden.

Indien een rijbaan in rijstroken is verdeeld, in principe de rechterstrook volgen (dit geldt ook voor geopende spitsstroken). Bij rijstroken van normale breedte in het midden van de rijstrook rijden.

Op wegen waarvan de rijbaan niet breder is dan één normale rijstrook, op het midden van de rijbaan rijden.

Heeft een rijbaan op een bepaald punt het karakter van een splitsing, door een geblokte markering met aan weerszijden een of meer rijstroken met daarboven aangebrachte richtingborden (z.g. ’weefvakken’), dient in principe de meest rechtse rijstrook van de gevolgde richting te worden gevolgd. Suggestiestroken (zonder symbolen) en fietsstroken (onderbroken strepen) in principe niet berijden. Bij afslaan kunnen andere normen gelden. Deze zijn opgenomen bij het onderdeel kruispunten.

Bij dichte mist, sneeuwval, slagregen, duisternis en opspattend water, vooral op auto(snel)wegen zoveel mogelijk van de rechterrijstrook gebruik maken (ontsnappingsmogelijkheid).

Rijdend op een auto(snel)weg, bij nadering van een invoegstrook vaststellen of daarop verkeer rijdt en welke invoegmogelijkheden dat verkeer heeft. Zijn er voor dat verkeer reële mogelijkheden om in te voegen dan niet naar links uitwijken.

Bij het volgen van bochten door middel van een vloeiende stuurbeweging de juiste plaats op de rijbaan aanhouden. Dit is niet alleen van belang voor het eigen rijgedrag, maar ook het overige verkeer kan de rijwijze daarop afstemmen.

Rekening houden met obstakels, verkeersvoorzieningen, e.d.

Bij het tegemoetkomen van een voertuig of wanneer men wordt ingehaald, zóveel uitwijken dat er voldoende ruimte tussen beide voertuigen ontstaat.

Tegemoetkomen

In vloeiende lijn naar rechts uitwijken. Zodra het tegemoetkomende voertuig voorbij is, in vloeiende lijn naar links sturen en de juiste plaats op de rijbaan weer innemen.

Bij obstakels rechts en links op de rijbaan, waarbij met tegemoetkomend verkeer onvoldoende rijbaanbreedte beschikbaar is, een zodanige plaats innemen dat men tijdig kan worden opgemerkt.

Ingehaald worden

Als een bestuurder links wordt ingehaald, wijkt deze, indien nodig en mogelijk, naar rechts uit.

Als een bestuurder rechts wordt ingehaald, wijkt deze, indien nodig en mogelijk, naar links uit.

Wanneer de ruimte naast het voertuig voor andere bestuurders te gering is om in te halen, dan zó gaan rijden dat inhalen onmogelijk wordt. Dit geldt echter alleen in die gevallen waarin door het ingehaald worden een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan.

Volgafstand  houden   

Bij het volgen van een andere weggebruiker voldoende afstand houden.

Als uitgangspunt geldt hierbij tenminste de ’twee seconden regel’. Hierbij is de volgafstand gelijk aan de afstand die bij een bepaalde snelheid in twee seconden wordt afgelegd.

Bij hantering van deze regel is de volgafstand in meters ongeveer de helft van de gereden snelheid in kilometers per uur. Het gaat hier om de minimaal vereiste tussenafstand van twee voertuigen die met ongeveer dezelfde snelheid achter elkaar blijven rijden.

Bij het aanhouden van deze minimumafstand kan:

  • ingeval van noodzaak, bij goed anticiperen, het voertuig tijdig tot stilstand worden gebracht
  • een uitwijkmanoeuvre worden uitgevoerd
  • het wegdek over voldoende afstand worden geobserveerd op afwijkingen en/of ongerechtigheden.

Een grotere volgafstand is onder andere noodzakelijk bij het rijden achter een ‘ondoorzichtige’ voorligger, bij nat weer en bij het op te korte afstand gevolgd worden door een ander voertuig. Overigens dient deze laatste situatie zoveel mogelijk te worden voorkomen!

Bij het houden van volgafstand, afhankelijk van wegsituatie en/of verkeersdrukte, ook rekening houden met inhalend verkeer dat wil tussenvoegen. In geval van een wegversmalling, invoegend verkeer daartoe de gelegenheid bieden.

Tijdens het rijden in file de tussenafstand zoveel mogelijk constant houden.

Snelheid 

De geldende maximumsnelheid niet overschrijden. De snelheid bovendien zodanig regelen, dat daardoor geen gevaar of onnodige hinder ontstaat of kan ontstaan.

De snelheid moet zodanig zijn dat de bestuurder voortdurend in staat is het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en deze vrij is.

De snelheid ook steeds afstemmen op de situatie en het overige verkeer ter plaatse. Dit betreft o.a. aard en gesteldheid van de weg, weersomstandigheden, verkeersdrukte en wegwerkzaamheden.

Naarmate de tussenruimte beperkter is met een lagere snelheid rijden.

Zonder noodzaak niet uitzonderlijk langzaam rijden ten opzichte van overig verkeer. Daardoor ontstaat onnodige hinder, en kan bovendien leiden tot verkeersgevaarlijke situaties.

De snelheid wordt bij nadering van een bocht aangepast aan de wegsituatie, omstandigheden en vóór het insturen zodanig geregeld dat die bocht veilig en verantwoord gereden kan worden. Bij het uitkomen van de bocht wordt de snelheid weer zoveel mogelijk en in overeenstemming met de geldende maximumsnelheid opgevoerd.

Bochten worden met een gelijkmatige/constante snelheid gereden, met dien verstande dat in bepaalde bochten - afhankelijk van de bochtstraal en de situatie - de snelheid geleidelijk kan worden verhoogd.

In onoverzichtelijke bochten de snelheid pas verhogen wanneer de bocht geheel te overzien is.

Bij het tegemoetkomen de snelheid aanpassen.

Bij het ingehaald worden de snelheid niet verhogen.

Op smallere weggedeelten zal met een lagere snelheid worden gereden. De mate waarin bij het tegemoetkomen de snelheid moet worden aangepast, is vooral afhankelijk van de rijbaanbreedte.

Reageren op verkeerslichten en aanwijzingen         

Gevolg geven aan verkeerslichten.

Aanwijzingen, gegeven door daartoe bevoegde ambtenaren (of andere personen) opvolgen.

Verkeerslichten op rechte weggedeelten kunnen o.a. zijn geplaatst bij wegwerkzaamheden, bruggen, op toeleidende wegen richting een invoegstrook (doseerlichten) en bijvoorbeeld ten behoeve van rijstrooksignalering.

Tekens van verkeersbrigadiers en verkeersregelaars moeten worden opgevolgd.

Reageren op overige verkeerstekens     

Gevolg geven aan verkeerstekens.

Behalve verkeerstekens die conform wettelijk voorschrift moeten worden opgevolgd, kunnen ook andere tekens gelden. Deze tekens, die op, langs of boven de rijbaan zijn aangebracht, hebben tot doel het verkeer te geleiden of te informeren over een bepaalde situatie.

Tekens ter geleiding van het verkeer of tekens welke een betere doorstroming bevorderen, respecteren. Dat geldt ook voor strepen die niet de functie hebben om een rijbaan in rijstroken te verdelen maar waarvan overschrijding toch ongewenst is.

Ook rekening houden met tekens die een waarschuwend karakter hebben, met name indien deze zijn geplaatst ten aanzien van het wegdek en wegverloop. De rijwijze daarop aanpassen.

Het opvolgen van, of rekening houden met een verkeersteken gebeurt steeds op verantwoorde wijze. Nimmer mag als gevolg daarvan gevaar of meer dan noodzakelijke hinder ontstaan of kunnen ontstaan voor het overige verkeer.

Geven van/reageren op signalen 

Ter afwending van dreigend gevaar een geluid of knippersignaal geven.

In verband met (geluids)overlast mogen deze signalen niet langer duren dan nodig is. Indien noodzakelijk reageren op door andere bestuurders gegeven signalen.

Wordt bij een afbuigende voorrangssituatie het (doorgaande) wegverloop gevolgd, dan is het wenselijk om ter verduidelijking naar het andere verkeer richting aan te geven. Rekening houden met motorvoertuigen waarmee bepaalde werkzaamheden worden uitgevoerd. Door middel van een zwaai- of knipperlicht wordt een potentieel gevaarlijke situatie aangegeven.

Ook rekening houden met de voorgeschreven tekens van andere weggebruikers. Dit kunnen o.a. zijn:

  • het richting aangeven door een bestuurder waarmee deze aangeeft links of rechts te willen afslaan
  • het in werking zijnde remlicht van een voorrijdend voertuig
  • knipperende waarschuwingslichten
  • een op de rijbaan geplaatste gevarendriehoek – achteruitrijdverlichting.

Vooral ook in of nabij onoverzichtelijke bochten rekening houden met signalen van het overige verkeer.

Vertragen, remmen, stoppen  

Indien de omstandigheden dit eisen tijdig afremmen en zonodig stoppen.

Niet zonder noodzaak zodanig remmen waardoor gevaar of hinder voor het overige verkeer ontstaat of kan ontstaan.

Door (vooral vóór bochten) tijdig de gastoevoer te verminderen, kan zodanig worden vertraagd dat remmen niet nodig is. Niet harder remmen en vaker dan door de omstandigheden noodzakelijk is.

Als voor korte of langere tijd wordt gestopt, mag geen gevaar of hinder ontstaan of kunnen ontstaan voor andere weggebruikers. Daarbij vooral rekening houden met het doorgaans langzamer rijdende (brom)fietsverkeer.

(bron:https://www.cbr.nl