Hoofdstuk 3.1 Wegrijden



In dit onderdeel zijn verschillende vormen van wegrijden opgenomen:

– na een stop buiten het verkeer

– na een stop in het verkeer.

Wegrijden na een stop buiten het verkeer
Het wegrijden vanuit parkeerstand geldt als een bijzondere manoeuvre.

Daarbij mag het overige verkeer niet meer dan noodzakelijk worden gehinderd. Indien hinder toch onvermijdelijk is, moet deze tot een minimum worden beperkt. De uitvoering van deze handeling gebeurt dan ook met grote voorzichtigheid.

De algehele verkeerssituatie moet bij het wegrijden worden onderkend en vooral kijkgedrag en snelheid moeten daar goed op worden afgestemd.

Van groot belang is hierbij:

–     de snelheid waarmee andere bestuurders naderen en de afstand waarop zij zich bevinden

–     het soort verkeersdeelnemer(s) dat nadert

–     de verkeersintensiteit, het beschikbare weggedeelte, de weersomstandigheden en het uitzicht.

Buiten de bebouwde kom wordt doorgaans met hogere snelheden gereden. Goed schatten van de snelheid van naderend verkeer is dan nog belangrijker.

Afhankelijk van deze omstandigheden, behoort men rekening te houden met de korte tijdsduur waarbinnen dat andere verkeer kan naderen.

Belangen andere weggebruikers      
Zo min mogelijk hinder voor het overige verkeer veroorzaken.

Dit geldt ten aanzien van alle verkeer, ongeacht uit welke richting dat nadert. Deze verplichting heeft dan ook een ruimere strekking dan de wettelijke bepaling om het overige verkeer alleen maar voor te laten gaan.

 

Kijkgedrag             
Voor en tijdens het wegrijden op de juiste wijze kijken.

Vóór het wegrijden vanaf de rechterzijde van de weg, kijken in de volgorde: binnenspiegel, naar voren, linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder.

Vóór het wegrijden vanaf de linkerzijde van de weg, kijken in de volgorde: binnenspiegel, naar voren, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder.

Bij het wegrijden van achter een obstakel (bijv. geparkeerd voertuig), extra letten op overig verkeer. Dit in verband met het beperkte uitzicht.

Wordt vanuit zo’n positie vanaf de linkerzijde weggereden, dan zodanig over de rechterschouder en in de rechterbuitenspiegel kijken dat achteropkomend verkeer goed kan worden opgemerkt. Vanuit deze positie is het verkeer dat van voren nadert moeilijk te zien. Dit vereist extra aandacht.

Tijdens het wegrijden achteropkomend verkeer met behulp van binnen- en buitenspiegels observeren.

Voor laten gaan       
Het overige verkeer voor laten gaan.

Deze verplichting geldt ten aanzien van alle, ook uit tegenovergestelde richting komende weggebruikers.

Plaats op de weg / plaats van handeling              
Na het wegrijden de juiste plaats op de rijbaan innemen.

Bij het wegrijden van achter een geparkeerd voertuig of ander obstakel een zo vloeiend mogelijke lijn aanhouden, waarbij een veilige tussenafstand tot het geparkeerde voertuig of obstakel wordt aangehouden.

Snelheid 
Het wegrijden vanuit parkeerstand gebeurt met een veilige en aangepaste snelheid.

Zodra is weggereden, snelheid opvoeren en deze aanpassen aan het overige verkeer.

 

Geven van/reageren op signalen 
Nadat men zich ervan heeft vergewist dat op veilige wijze kan worden weggereden, richting aangeven.

Tijdig voordat wordt weggereden moet richting aangegeven worden. De richtingaanwijzer moet buiten werking zijn, zodra de juiste plaats op de rijbaan is ingenomen.

Wegrijden na een stop in het verkeer
Deze vorm van wegrijden wordt niet beschouwd als een bijzondere manoeuvre. Het is wel een handeling die veelvuldig voorkomt en de nodige aandacht vraagt.

Belangen andere weggebruikers      
Tijdens het wegrijden rekening houden met andere weggebruikers.

Hierbij dient zo min mogelijk hinder te worden veroorzaakt. Dit geldt in het bijzonder ten opzichte van fietsers en bromfietsers.

Kijkgedrag             
Bij het wegrijden goed opletten.

Tijdens het stilstaan attent blijven, ook ten opzichte van zich naast en achter de auto bevindende weggebruikers.

Bij het optrekken en wegrijden het overige verkeer observeren. Dit in verband met plotseling wijzigende verkeersomstandigheden, zoals afremmen of van richting veranderen door voorliggers. Bij het verhogen van snelheid met name ook letten op inhalende bestuurders.

Snelheid 
De snelheid zoveel mogelijk aanpassen aan het overige verkeer.

Door aansluiting te houden met het andere verkeer kan een vlotte doorstroming worden bevorderd.

(bron:https://www.cbr.nl)